Italiaanse economie
|
Foto's Italië |
|
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Italië van een wat achtergebleven agrarisch land in een moderne industriële natie. Deze transformatie veroorzaakte tussen 1950 en 1980 een groei van het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking van 200%. Na 1980 daalde de groei tot gemiddeld 1,3% per jaar, hetgeen gepaard ging met een stijgende werkloosheid (8% in 1980, 11% in 1987) en een groeiende overheidsschuld. Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een herstel van de Italiaanse economie in. In het midden van de jaren negentig werden structurele hervormingen ingezet, gericht op minder overheidsinvloed op de economie en sanering van de overheidsfinanciën met het oog op de toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU). Dat laatste lukte wonderwel, zodat Italië op 1 januari 1999 toe kon treden. De staatsschuld was in 2000 gedaald tot 85% van het bbp, en de inflatie bedroeg in 2001 2,7%. Door de opbloeiende economie (groei in 2001: 1,8%) daalde de werkloosheid, zij het dat 9% (2001) nog altijd boven het Europees gemiddelde lag. In 2005 groeide de economie met 0,1% in 2006 met 1,9%. Het bbp per inwoner was in 2007 US$ 31 000. |
De Italiaanse economie wordt gekenmerkt door een groot welvaarts- en ontwikkelingsverschil tussen het geïndustrialiseerde noorden en het nog overwegend agrarische zuiden (il Mezzogiorno). De oorzaken moeten gezocht worden in verschillen ten aanzien van historische ontwikkeling, geografische ligging en fysisch milieu. Sedert 1950, met de instelling van een ontwikkelingsfonds voor het zuiden (Cassa per il Mezzogiorno), tracht de overheid de bestaande welvaartskloof te dichten. Aanvankelijk werd het merendeel van de enorme investeringsgelden gebruikt ter modernisering van de agrarische sector en ter verbetering van de infrastructuur. Toen evenwel bleek dat de modernisering van de agrarische sector de werkgelegenheid niet vergrootte maar eerder verkleinde, ging men meer de nadruk leggen op investeringen ten behoeve van een snelle industrialisatie. |
Hoewel het inkomensniveau in het zuiden mede hierdoor sterk is gestegen, is de achterstand ten opzichte van het noorden niet weggenomen. De onstuimige economische groei na 1945 is dan ook vrijwel geheel te danken aan de industriële expansie die in het noorden plaatsvond. De in het zuiden gecreëerde industriecomplexen zijn weinig arbeidsintensieve, statische eenheden, die vaak slechts met overheidssteun in leven kunnen worden gehouden. Door de ongunstige economische ontwikkeling in het zuiden en de daarmee gepaard gaande hoge werkloosheid is de interregionale migratie sterk toegenomen. Karakteristiek voor de Italiaanse economie was de grote rol van de overheid. |
![]() |
stad Rome. Beeld Emmanuel Buchot |
Niet alleen de lokale voorzieningsbedrijven, de spoorwegen en de luchtvaartmaatschappijen zijn staatsondernemingen, ook de aardolie- en aardgasbedrijven, de staalindustrie, de scheeps- en treinbouw, de machine-industrie en de hoogovens waren voor het grootste deel in staatshanden. De grootschalige privatiseringen moeten de slagvaardigheid van het bedrijfsleven vergroten en het overheidstekort terugdringen. In 1997 werd besloten om de staatshoudstermaatschappij IRI te ontmantelen, wat de verkoop van diverse staatsbedrijven zou vergemakkelijken. Eveneens kenmerkend zijn de rigide ontslagwetgeving en het kostbare pensioenstelsel. © Emmanuel Buchot en Encarta. |
Tilpasset søgning
|