Spanje : Revolutie en restauratie (1868–1923)
|
Beelden Spanje |
In 1868 werd Isabella, die zich ook moreel gecompromitteerd had, verdreven. Generaal Prim was korte tijd de sterke man. De Cortes stelde een vrijzinnige grondwet op en koos Amadeus van Aosta, uit het Italiaanse koningshuis, tot koning (1870). Deze, geplaagd door partijtwisten (Prim was vermoord), trad in 1873 af, waarna de republiek werd uitgeroepen. De Eerste Republiek (11 februari 1873–29 december 1874) kreeg een federale grondwet en een democratische structuur. Zij werd echter geconfronteerd met een Tweede Carlistenoorlog en een kantonnale opstand met Cartagena als centrum. De arbeidersbeweging, die al vanaf de jaren veertig met stakingen van zich had doen spreken, kreeg aansluiting bij de Eerste Internationale. Vooral de anarchistische stroming zou in Spanje grote invloed krijgen. Bolwerken werden het agrarische Andalusië, met zijn grootgrondbezit en het industriële Catalonië. |
Een ‘pronunciamiento’ van generaal Martínez de Campos maakte een einde aan de republiek. De zoon van Isabella, Alfons XII (1874–1885), werd tot koning uitgeroepen. De periode 1874–1923 staat als de ‘restauratie’ bekend en wordt gekenmerkt door een betrekkelijk liberale grondwet (1876) van Antonio Cánovas del Castillo en door diens politiek van een wisselend evenwicht, de zgn. turno pacífico, dwz. een ‘vreedzaam beurtelings regeren’. Reactionaire en liberale regeringen wisselden elkaar af, maar in feite ging het om een machtsstrijd tussen elites en politieke clubs, waarbij Cánovas en de politiek van de ‘moderados’ het regeringsbeleid grotendeels bepaalden. Het systeem van caciquismo, waarbij plaatselijke en regionale politieke en sociaaleconomische machthebbers het in hun gebied voor het zeggen hadden en met elkaar verbonden waren tot op nationaal niveau, sloot elke werkelijke volksinvloed uit. De kerk verrijkte zich en vergrootte haar politieke macht, maar verloor invloed onder het volk. |
De moord op Cánovas in 1897 en meer nog de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse Oorlog, waarbij Spanje zijn laatste koloniën in Amerika en Azië verloor leidden tot een situatie van permanente crisis. De ‘Generatie van 98’ streefde naar een politiek en cultureel reveil, naar een modern Spanje. Nationale bewegingen in Catalonië en het Baskenland, aanvankelijk cultureel, kregen een politieke dimensie. Met de opkomende industrie in deze gebieden werd de arbeidersbeweging sterker en ontwikkelde zich in revolutionaire richting. Liberale kabinetten brachten democratische maatregelen (Spanje had al in 1890 algemeen stemrecht), zoals het burgerlijk huwelijk, de vrijheid van vakbeweging en een bescheiden sociale wetgeving. In de praktijk bleven het veelal papieren maatregelen. Spanningen en polarisatie bedreigden het Cánovas-systeem. Internationale aandacht en protesten kregen martelingen van gevangenen in 1896 (Montjuich bij Barcelona) en de terechtstelling in 1909 van Francisco Ferrer Guardia, na een – vooral antiklerikale – volksuitbarsting in Barcelona die door het leger werd onderdrukt; Ferrer, voorman van de rationele ‘moderne school’, was bij de geestelijkheid zeer gehaat. |
![]() |
Antonio Cánovas del Castillo |
Elke verandering werd van deze zijde als een aantasting van Spaanse en katholieke waarden gezien en men bepleitte vaak despotische maatregelen. Andalusië en Catalonië waren verscheidene malen het toneel van heftige en soms bloedige sociale conflicten. Naast de socialistische vakbeweging (Unión General de Trabajadores, UGT) ontstond een revolutionaire vakorganisatie met een anarchosyndicalistisch karakter (Confereración Nacional del Trabajo, CNT, 1911). |
Spanje bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Rechts, in het bijzonder de kerk, was fel anti-Frans; links sympathiseerde met de geallieerden. Het land profiteerde van oorlogsleveranties, maar zeer ongelijkmatig. De sociaalrevolutionaire vloedgolf na de wereldoorlog bereikte ook Spanje. In 1919 werd een algemene staking met geweld onderdrukt en socialistische voormannen verdwenen in de gevangenis. In Barcelona werden in de jaren daarna bekende leden van de CNT door agenten van de politie en van de ondernemers gedood, wat tot represailles van anarchistische kant leidde. Republikeinse en afscheidingsbewegingen wonnen veld, bij de verkiezingen in 1923 wonnen de socialisten terrein. In hetzelfde jaar leed het leger, dat een steunpilaar van rechts was geworden, een |
![]() |
Alfons XIII |
verpletterende nederlaag in Marokko, welke ook koning Alfons XIII, die tot 1902 onder het regentschap van zijn moeder koning was geweest, dreigde te compromitteren. Met zijn instemming pleegde generaal Primo de Rivera een staatsgreep (13 september 1923). Emmanuel Buchot en Encarta. Meer info op Wikipedia. |
![]() Aangepast zoeken
|