Sovjet-Unie

Sovjet-Unie : Het laat-stalinisme en de destalinisatie

Beelden Sovjet-Unie
Het laat-stalinisme

De eerste naoorlogse periode (1945/1953) was binnenslands de tijd van het verstarde laatstalinisme. Het was een tijd van persoonlijke dictatuur, waarin zelfs de partij tot slechts een radertje in het geheel was gedegradeerd. De harde lijn in de cultuurpolitiek werd gepersonifieerd door Andrej Zjdanov, die een intensieve campagne tegen de intellectuelen voerde. Doel was o.a. de wetenschap aan partijvoorschriften te binden en de invloed van het Westen, tijdens de oorlog doorgesijpeld, te elimineren. Na 1945 waren zuiveringen trouwens schier permanent. Na de dood van Stalin (1953) ontspon zich een strijd om de macht. Nadat Malenkov en Beria elk gepoogd hadden de eerste man te worden, wist Nikita Chroesjtsjov in maart 1953 de leiding van het partijsecretariaat te bemachtigen. Hij slaagde erin zijn positie te consolideren en wist, tezamen met Nikolaj Boelganin, in de jaren 1955–1957 zijn tegenstanders Malenkov en Molotov ten val te brengen.

Ook nu was de politieke strijd gegoten in ideologische vormen: de voornaamste kwestie was of men prioriteit moest verlenen aan de zware industrie (Chroesjtsjov) of aan de lichte nijverheid (Malenkov). Op het 20ste partijcongres (1956) ontluisterde Chroesjtsjov in een geheime rede Stalin. Deze postume veroordeling van het stalinisme betrof de oppervlakte en de uitwassen, maar liet het stelsel intact. Desalniettemin betekende Chroesjtsjovs rede een wezenlijke verbetering van het leefklimaat door de verzekering van persoonlijke veiligheid.

Het 20ste congres zwakte ook de confrontatiepolitiek tegenover het Westen af, door het accepteren van de ‘vreedzame coëxistentie’. De Koude Oorlog had na 1945 het toneel van de buitenlandse politiek gedomineerd. De Oost-Europese landen (uitgezonderd Oostenrijk, waaruit het Rode

Nikita Chroesjtsjov
Nikita Chroesjtsjov

Leger zich terugtrok na het Staatsverdrag van Wenen [1955]) waren met steun van de Sovjet-Unie onder communistisch bewind gebracht en vervolgens qua structuur gelijkgeschakeld met de Sovjet-Unie. De ideologie van deze landen werd geleid door de Komintern (1947–1956). De starheid van deze instelling gaf aanleiding tot de breuk met Joegoslavië. De destalinisatie werd in de meeste Oost-Europese volksrepublieken in beperkte mate nagevolgd, maar had wel o.m. de ‘Poolse lente’ en de Hongaarse opstand (1956) tot gevolg. Geschrokken herstelde de Sovjet-Unie de oude situatie; ook binnenslands, zodat er begin 1957 weinig liberalisering meer te bespeuren viel. Eerst in 1961, bij het 22ste partijcongres, kwam er een nieuwe golf van destalinisatie, verdergaand dan de eerste, maar eveneens de diepere oorzaken van het stalinisme mijdend.

© Schriftelijke door en Encarta