Sovjet-Unie

Sovjet-Unie : De periode van de Grote Terreur

Beelden Sovjet-Unie
Stalin en Grote Terreur

Inmiddels waren echter al de aanzetten gegeven voor een massazuivering: de moord op Kirov (1 december 1934) was het sein voor een serie vervolgingen die in de periode 1936–1938 (de ‘Jezjovsjtsjina’) uitgroeiden tot een weergaloze terreur. Door de geheime politie gefabriceerde processen vonden plaats tegen de belangrijkste, voormalige leiders. De legertop werd na een geheim proces geliquideerd. Ongeveer 5% van de bevolking werd door deze ‘tsjistka’ (schoonmaak) getroffen. Als oorzaken van de terreur kan men noemen: Stalins angst voor potentiële vijanden en het sneeuwbaleffect van het zuiveringsmechanisme. Het gevolg was een staat met een totaal gewijzigd kader, dat volgens het criterium ‘trouw aan Stalin’ geselecteerd was.

In de buitenlandse politiek werd de richting in de jaren dertig bepaald door de toenemende waakzaamheid ten aanzien van Duitsland en Japan.

Daartoe zocht de Sovjet-Unie toenadering tot het Westen (de politiek van de collectieve veiligheid), sloot niet-aanvalsverdragen en zelfs allianties met diverse landen (o.a. Frankrijk) en voegde zich bij de Volkenbond. De Komintern-leden werd opgedragen een volksfronttactiek van samenwerken met socialisten te volgen. De stichting van de Japanse vazalstaat Mantsjoekwo (zie Mantsjoerije) deed Stalin weer toenadering zoeken tot Tjiang K’ai-sjek (verdrag in 1937). Een oorlog was evenwel zowel voor de Sovjet-Unie als voor de Japanners ongewenst, zodat in april 1941 een non-agressiepact tot stand kwam.

Het lukte de Sovjet-Unie niet met de westerse mogendheden tot samenwerking te komen ter bestrijding van het nationaal-socialisme in Duitsland. Bij de Conferentie van München (1938) was de Sovjet-Unie dan ook niet betrokken. Deze isolatie in geval van een Duitse aanval, alsmede een zeer gebrekkige

Molotov
Molotov

oorlogsvoorbereiding, vormen de achtergrond van het besluit met Duitsland tot een vergelijk te komen: het Molotov-von Ribbentrop-pact (augustus 1939).

In de daarop uitbrekende Tweede Wereldoorlog deelden Duitsland en de Sovjet-Unie Polen. De Sovjet-Unie viel voorts Finland aan (maar verloor deze zgn. Winteroorlog 1939/1940) en annexeerde in 1940 de Baltische staten. Het monsterverbond met Adolf Hitler duurde slechts kort en was niet meer dan een respijt voor de oorlog, die in juni 1941 uitbrak. De aanvankelijk zegevierende Duitse legers drongen door tot vlak voor Moskou en sloegen het beleg voor Leningrad (thans Sint-Petersburg). Stalin nam de belangrijkste ambten in eigen hand: partijleider, premier en volkscommissaris van Defensie. Het machtigste orgaan in het land werd het zgn. Opperste Verdedigingscomité, waarin, naast Stalin, Molotov, Kliment Vorosjilov, Georgi Malenkov en Lavrenti Beria zitting kregen.
Door de strijd tot ‘Grote vaderlandse oorlog’ te verklaren, werd een beroep gedaan op het nationale gevoel. Daaraan werd een religieuze dimensie toegevoegd door het inschakelen van de Russisch-Orthodoxe Kerk, die weer een patriarch kreeg.

Daarentegen werd een aantal volken, aan wier trouw Stalin twijfelde, gedeporteerd. De bloedige en verwoestende oorlog bracht, via de Duitse catastrofe in de Slag om Stalingrad, de Sovjet-Russische legers ten slotte naar Berlijn. Gedurende deze oorlog werkte de Sovjet-Unie samen met de geallieerden, van wie zij voor enorme geldbedragen oorlogsmaterieel betrok. Deze samenwerking vond haar uitdrukking in de ondertekening van het Atlantic Charter (24 september 1941), het verdrag met Groot-Brittannië (26 mei 1942) en de conferenties van Teheran (november 1943), Jalta (februari 1945) en Potsdam (juli–augustus 1945). Internationaal kwam de Sovjet-Unie versterkt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn. De wapenstilstand met Finland van 19 september 1944 gaf het land de Karelische landengte, eilanden in de Finse Golf en Petsamo (thans Petsjenga). Voorts verwierf de Sovjet-Unie (juni 1945) de Transkarpatische Oekraïne van Tsjechoslowakije.

Het noordelijk deel van Oost-Pruisen werd haar bij de Conferentie van Potsdam toegewezen, terwijl ze in Jalta/Potsdam ook het veroverde Oost-Polen verwierf. In het Verre Oosten viel de Sovjet-Unie, volgens afspraak met de geallieerden, drie maanden na het einde van de vijandelijkheden in Europa, Japan aan en bezette een groot gebied in Mantsjoerije. Definitief in haar bezit kreeg de Sovjet-Unie de Koerilen en Zuid-Sachalin. Voorts verwierf zij beslissende invloed in de door haar bevrijde landen van Oost-Europa (1944/1945), met uitzondering van Joegoslavië. © Schriftelijke door en Encarta