Sovjet-Unie

Sovjet-Unie : Chroesjtsjov

Beelden Sovjet-Unie
Chroesjtsjov

Chroesjtsjov had intussen zijn macht definitief gevestigd (1957) door zijn tegenstanders, als antipartijgroep, uit de hoogste partijorganen te stoten. In 1958 nam hij ook het premierschap van Boelganin over. Ondanks zijn sterke positie als partij- en regeringsleider bleef hij, als primus inter pares, afhankelijk van de medewerking van de leden van het Politburo. Hij zette zich in voor de lichte en de consumptie-industrie, daarmee het program van de verslagen antipartijgroep overnemend.

Hoewel Chroesjtsjov via de politiek van de vreedzame coëxistentie het uitbreken van een ernstig conflict ogenschijnlijk trachtte te voorkomen, waren er gedurende zijn bestuursperiode diverse crises in de Oost-Westbetrekkingen, o.m. inzake het Suezkanaal (1956), Berlijn (1958) en Cuba (zie Cubacrisis) (1962). Daartegenover stond de deelneming aan verscheidene conferenties over ontwapening, wat o.a. leidde tot een internationaal verdrag inzake kernwapens (1963).

Ten aanzien van de socialistische landen werd sinds de toenadering tot Josip Tito (1955) het bestaan van meer wegen naar het socialisme erkend, zij het dat de satellietstaten beperkt waren in het toepassen van deze ‘doctrine’. De Sovjet-Russische binnen- en buitenlandse politiek leidde tot een vervreemding van China. In 1960 werd het conflict openbaar en in 1963 ontstond een breuk. Aan de grenzen tussen beide staten ontstonden geregeld spanningen (vooral in 1969), m.n. daar waar de Sovjet-Unie naar Chinees oordeel Chinees grondgebied bezet hield. De laatste jaren van Chroesjtsjovs bewind toonden steeds duidelijker het bankroet van zijn veelal inconsequente en onvoltooide hervormingen. Dit, en het feit dat de agrarische situatie precair bleef, leidde in 1964 tot zijn val. Zijn opvolgers, Leonid Brezjnev als partijleider en Alexej Kosygin als premier (tot 1980), bleken echter tot weinig méér in staat. De economische problemen stapelden zich verder op. Halfslachtige hervormingen van Kosygin

Chroesjtsjov portret
Chroesjtsjov portret.

(1965) brachten geen verbetering. De landbouw bleef het zorgenkind. Ondanks verscheidene maatregelen om de productie op te voeren, w.o. ook een schoorvoetend stimuleren van particulier initiatief, bleef de Sovjet-Unie ook in normale oogstjaren op graanimport aangewezen.

Na 1964 was het met de destalinisatie definitief gedaan en geleidelijk zette de politieke repressie in. Het streven van KGB en justitie was er vooral op gericht de politieke, religieuze en nationale ‘dissidenten’ (de zgn. democratische oppositie) tot zwijgen te brengen. Zowel langs administratieve weg als via politieke processen werden de kopstukken van de dissidentenbeweging uitgeschakeld en velen hunner werden tot emigratie naar het Westen gedwongen. Ook de omloop van de ondergrondse publicaties, de zgn. Samizdat, werd door de veiligheidsorganen in toenemende mate gestoord. Toch bleek het onmogelijk om de telkens weer opkomende oppositie onder de intelligentsia en de beknelde religieuze (bijv. de joden, zie ook antisemitisme en joden) en nationale minderheden te onderdrukken.

Tegenover de krachten die een liberalisering voorstonden en min of meer met de doelstellingen van de democratische oppositie sympathiseerden, stonden de aanhangers van een hardere, zelfs neostalinistische koers, vooral onder de partijfunctionarissen en in het officierskorps. Hoewel de officiële instanties in de Sovjet-Unie de feitelijke beleidsvorming versluierden en angstvallig de schijn van eensgezindheid bewaarden, traden de tegenstellingen tussen de gematigden, liberalen en conservatieve ‘haviken’ steeds duidelijker aan den dag. De ontwikkeling naar meer pluralisme stond op deze wijze in contrast met het ambtelijk traditionalisme, dat met het herstel van namen als ‘secretaris-generaal’, ‘Politburo’ en een beperkt eerherstel van Stalin de indruk van een restalinisatie wilde vestigen. Waar de officiële ideologie van het marxisme-leninisme steeds meer haar greep op de bevolking verloor, deed zich m.n. in militaire kringen een herleving van Russisch nationalisme voor, dat bewust

bij het vóór-revolutionaire verleden aanknoopte en de relatie tot de niet-Russen in de Sovjetsamenleving dreigde te bemoeilijken. © Schriftelijke door en Encarta