Sovjet-Unie : Brezjnev |
| Beelden Sovjet-Unie | |
In de loop der jaren lukte het Brezjnev zijn machtspositie ten koste van het collectief leiderschap te verbeteren en sinds 1977 ook formeel als staats- en partijchef te regeren. Toch moest de president-secretaris-generaal ten minste in wezenlijke vragen zijn beleid afstemmen op hetgeen dit college in meerderheid wenste. Op het gebied van de buitenlandse en defensiepolitiek heeft de Sovjet-Unie na 1964 onder leiding van Brezjnev een ontegenzeglijke vooruitgang geboekt. Dat China in de loop der jaren zestig met de Sovjet-Unie brak en definitief een machtspolitieke rivaal was geworden, had de Sovjet-Unie internationaal niet verzwakt, omdat zij terdege kon profiteren van de Amerikaanse mislukking in Vietnam en haar naweeën en van de toenemende neiging van de Europese landen, in het bijzonder de Bondsrepubliek Duitsland, om tot een ontspanning te komen. |
Zelfs de Sovjetinval in Tsjechoslowakije (1968) kon het ontspanningsproces niet stuiten, waaraan althans op het Europese toneel door de Ostpolitik van de regering van de Bondsrepubliek ferm werd bijgedragen. Na de normalisering van de relaties van de Bondsrepubliek tot de Duitse Democratische Republiek en overige Oostbloklanden volgde als voorlopig slotstuk de in de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa aangenomen Slotakte van Helsinki (1975). Voor de Sovjet-Unie betekende dit alles een belangrijk politiek succes, daar zij van westerse zijde eindelijk een uitdrukkelijke erkenning van haar machtsbereik verwierf, waartegenover haar concessies, in het bijzonder op het gebied van mensenrechten, slechts van formele aard bleken te zijn. De betrekkingen tot de Verenigde Staten ondervonden, na de ontspanningseuforie ten tijde van het presidentschap van Richard Nixon, in de loop van de jaren zeventig een nieuwe afkoeling. |
![]() |
|
Brezjnev |
||
De Sovjetexpansie in de derde wereld, veelal indirect (Cuba, DDR) voltrokken, bracht landen als Angola, Ethiopië en de Volksrepubliek Jemen in eigen invloedssfeer, terwijl het verlies aan invloed in Egypte (1971) door versterkte banden met andere Arabische landen meer dan goedgemaakt werd. De Verenigde Staten, vleugellam na de Watergate-affaire en onder het zwak en weifelend beleid van president Jimmy Carter, wisten hiertegen niets te ondernemen en de spectaculaire val van de sjah van Perzië (zie Iran § 5.13) markeerde een verdere verzwakking van de Amerikaanse positie in het Midden-Oosten. In deze situatie moest de abrupte Sovjetinvasie in Afghanistan (december 1979–1989) als een rechtstreekse uitdaging voorkomen. Amerikaanse tegenmaatregelen, zoals de graanboycot en de boycot van de Olympische Spelen te Moskou (1980), mochten als zodanig inefficiënt zijn, zij droegen bij tot een ernstige verslechtering van het internationale klimaat. Dit laatste gold ook voor de militaire staatsgreep in Polen (eind 1981), waarvoor in het Westen de Sovjet-Unie, ten minste ten dele, verantwoordelijk werd gesteld. © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
||
bij het vóór-revolutionaire verleden aanknoopte en de relatie tot de niet-Russen in de Sovjetsamenleving dreigde te bemoeilijken. © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |