Geschiedenis van Algerije : De republiek Algerije |
| Foto's van Algerije |
7/08/11
|
In de eerste drie maanden van de republiek Algerije heerste er een situatie die bedenkelijke herinneringen opriep aan de anarchie van weleer. Als ‘sterke man’ trad ten slotte naar voren de uit Franse gevangenschap vrijgelaten FLN-voorman Ben Bella. Vooral dank zij de steun die hij genoot van kolonel Houari Boumediène, bevelhebber van het geregelde Algerijnse leger, dat tijdens de oorlog op bases in Marokko en Tunesië was opgeleid, wist Ben Bella zijn voornaamste mededingers, zoals de GPRA-premier Ben Chedda, Belkacem Krim en zijn vroegere medegevangenen Boudiaf en Aït Ahmed, ter zijde te schuiven. De vroegere GPRA-voorzitter Ferhat Abbas sloot zich bij Ben Bella aan. Nadat aldus een zekere normalisering van de situatie was bereikt, werden op 24 september 1962 de eerste verkiezingen in het onafhankelijke Algerije gehouden. De van tevoren zorgvuldig van alle namen van tegenstanders van Ben Bella gezuiverde kiezerslijst werd met grote meerderheid goedgekeurd. |
Tot voorzitter van de nationale vergadering koos men Ferhat Abbas; als premier van een 19 leden tellend kabinet trad Ben Bella op. Boumediène kreeg de portefeuille van Defensie. De aanhangers van Messali Hadj (zijn partij was in 1954 omgedoopt in ‘Mouvement National Algérien’, MNA), die tijdens de oorlog in een felle vendetta met het FLN gewikkeld waren geweest, werden buiten de wet gesteld. In november trof dit lot ook de Algerijnse communistische partij. Beide groepen zetten ondergronds hun activiteiten voort. Tijdens zijn bewindsperiode wist Ben Bella steeds meer macht aan zich te trekken, wat meestal gepaard ging met de politieke uitschakeling van vroegere vrienden en medestanders. In april 1963 ontnam hij aan Mohammed Chider het secretariaat van het FLN. |
Chider vluchtte het land uit met medeneming van een groot deel van de FLN-fondsen, die hij bij Zwitserse banken in bewaring gaf. Ferhat Abbas trad in augustus van dat jaar af als parlementsvoorzitter en verweet Ben Bella de weg naar een ‘fascistische orde’ te zijn ingeslagen. Ben Bella werd in september 1963 gekozen tot eerste president van de Algerijnse republiek en in zijn ambt van secretaris-generaal van het FLN bevestigd door het congres van deze partij in april 1964. In juli van dat jaar trok hij het ministerie van Binnenlandse Zaken aan zich en verkreeg aldus de beheersing over de politiële veiligheidsdiensten. Vele van zijn tegenstanders werden gearresteerd, onder wie Ferhat Abbas. De kern van Bella’s ideologie was de stelling dat arabisme en islam de pijlers van de ‘Algerijnse persoonlijkheid’ dienden te zijn, en dat de Algerijnse revolutie haar inspiratie moest putten uit het (Arabische) socialisme. Zijn economische politiek richtte zich vooral op een drastische inkrimping van de particuliere sector (veelvuldige nationalisaties van industriële en agrarische bedrijven, merendeels ex-Franse eigendommen). Zoveel mogelijk werden overgenomen bedrijven onder het ‘zelfbeheer’ van arbeiders gesteld. Hij trachtte hiermee de vakverenigingen tevreden te stellen, maar kon niet verhinderen dat het onbehagen over de economische toestand (ruim 1 miljoen werklozen; remming van de economische groei, ondanks Franse, Amerikaanse en Russische hulp) bleef aanhouden. |
![]() |
Ferhat Abbas. |
De geschillen met de beide Maghreb-buren, Tunesië en Marokko, o.a. over de wederzijdse grenzen in de Sahara (beperkte grensoorlog met Marokko, oktober 1963) maakten in de loop van 1964 plaats voor een groeiende onderlinge samenwerking, waarbij ook Libië, als vierde Maghreb-partner, werd betrokken. Ten aanzien van de overige Arabische wereld (in augustus 1962 was Algerije het 13de lid van de Arabische Liga geworden) vestigde Ben Bella voor alles zeer hechte vriendschapsbanden met het regime van president Nasser in Egypte (‘as Caïro-Algiers’). Wat Afrika ten zuiden van de Sahara betrof verschafte Ben Bella hulp aan de tegenstanders van het Tsjombe-regime in Kongo en aan de nationalistische organisaties in de Portugese gebieden. Een goede relatie bestond voorts met het Castro-bewind in Cuba, terwijl in het internationale kader van de niet-gebonden landen naar nauwe samenwerking met Joegoslavië (Ben Bella bij Tito, maart 1964) werd gestreefd. Het Algerijnse regime had door zijn verzet tegen Frankrijk in de bloedige onafhankelijkheidsoorlog veel prestige in de derde wereld verworven. |
Met Frankrijk kwam een economische samenwerking tot stand, ondanks wrijvingspunten tussen beide landen zoals de Franse kernproeven in de Sahara en de naasting van Franse eigendommen in Algerije. Ook de Sovjet-Unie verstrekte Algerije forse kredieten. Inmiddels trachtte tevens China de gunst van Algerije te winnen (bezoek van premier Zhou Enlai, december 1963). Op China’s aandringen besloot men de tweede officiële Afro-Aziatische conferentie in 1965 in Algiers te houden. Met het oog hierop liet Ben Bella een groot aantal tegenstanders (o.a. Ferhat Abbas) vrij. De staatsgreep van zijn vroegere steunpilaar kolonel Boumediène, op 19 juni 1965, maakte echter aan zijn bewind een einde; de conferentie ging niet door. Boumediène verklaarde, meer nog dan zijn voorganger, het islamitische karakter van Algerije te zullen beklemtonen en tegelijkertijd de weg naar een socialistische maatschappijorde te zullen blijven bewandelen. Met de economische opbouw van het land zou ernst worden gemaakt, ten behoeve waarvan in de eerste plaats met Frankrijk naar nauwe samenwerking zou worden gestreefd (aardolieakkoord, juli 1965, o.a. inhoudend een verdrievoudiging van Algerijes aardolie-inkomsten). De buitenlandse politiek van Boumediène werd gekenmerkt door een nauwe samenwerking met Nasser. Tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 verklaarde Algerije aan Israël de oorlog en werden troepen naar Egypte gezonden; zij kwamen echter niet in actie. |
![]() |
Nasser. |
Na de Egyptische nederlaag trad Boumediène naar voren als woordvoerder van de militante Arabische nationalisten. Als niet-gebonden land kantte Algerije zich krachtig tegen het kolonialisme en zegde het steun toe aan de bevrijdingsbewegingen in Zuidelijk Afrika. Algerije ging in toenemende mate optreden als centrum van en uitwijkplaats voor nationalistische en revolutionaire groeperingen uit Azië, Afrika en de beide Amerika’s. In 1971 kwam, na ernstige geschillen, met Frankrijk een overeenkomst tot stand waarbij Algerije een meerderheidsaandeel verwierf in de aardolie- en aardgasproductie. Aan de vierde Arabisch-Israëlische oorlog (Jom Kippoer-oorlog, oktober 1973) nam Algerije niet deel; wel speelde het land een grote rol in de door de Arabische wereld ten aanzien van het Westen gevoerde aardoliepolitiek. Algerije verzette zich fel tegen de opdeling van de Westelijke Sahara door Marokko en Mauritanië (1976) en steunde de bevrijdingsbeweging Frente Polisario. Het behoorde tot de landen die zich keerden tegen de door de Egyptische president Sadat in 1977 met Israël begonnen onderhandelingen. "Algerije," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|