Planten en vegetatie van Noorwegen |
| Foto's van Noorwegen |
25/07/11
|
De verscheidenheid in plantengroei wordt in de eerste plaats beheerst door een gradiënt van kust naar hooggebergte. In deze volgorde treft men de volgende zones aan: a. een smalle, uit heide en cultuurland bestaande gordel langs de kust, die thans arm aan bos is; b. een zone van naaldwouden, waarin de fijnspar domineert, vergezeld van berken, lijsterbessen en de vooral als pionier optredende grove den; c. een berkenzone, die hier de bosgrens vormt; d. de boomvrije fjelden met arctisch-alpine begroeiing. In het zuiden vindt men op de vruchtbare gronden ook nog de noordelijkste uitlopers van de Midden-Europese loofbossen met eik (ten noorden van Oslo tot 61° N.Br., aan de westkust tot 63° N.Br.), vergezeld van kleinbladige linde, gewone es, ruwe iep, Noorse esdoorn, hazelaar en meelbes. |
De fijnspar gaat noordwaarts tot iets ten noorden van de poolcirkel (Saltdal in Nordland); ten noorden daarvan overheerst in het zuidelijk deel nog de grove den, die zich verder noordwaarts echter hoe langer hoe meer terugtrekt in beschutte dalen, bij 70° N.Br. op 300 m zeehoogte reeds de boomgrens bereikt en ten noorden van 70° N.Br. nog slechts sporadisch voorkomt. In het noordelijke gebied (Noors Lapland: Finnmark) is een berkensoort (Betula tortuosa) dan ook alleenheerser; de boomgrens, in Zuid-Noorwegen op ca. 1000 m zeehoogte gelegen, daalt geleidelijk en bereikt nabij de Noordkaap het zeeniveau. Verreweg het grootste deel van de naaldwouden behoort tot het dwergstruikrijke type met rode bosbes, blauwe bosbes, struikheide, de kraaiheidesoort de Empetrum hermaphroditum, en vele kruidachtige planten, o.m. eenbloemig wintergroen, ramischia, witte klaverzuring, Zweedse kornoelje, Linnaeusklokje, steenbraam, zevenster, denneorchis, koraalwortel, Pyrola chlorantha, Chimaphila umbellata, Melampyrum sylvaticum, Lycopodium annotinum; |
ze zijn verder zeer rijk aan mossen en levermossen. In vochtige voedselrijke dalen en kloven groeit een ander, zeer welig naaldwoudtype met manshoge kruiden en varens. Ook in de subarctische berkenbossen laten zich vergelijkbare typen onderscheiden. Boven de boomgrens volgt de laag-alpine zone, die behalve door uitgestrekte heiden gekenmerkt wordt door vegetaties van hoogopschietende kruiden, welke op lagere zeehoogte in de bossen voorkomen. Binnen deze zone wordt de aard van de plantengroei vooral bepaald door het kalkgehalte van de grond. Op relatief droge, een aantal zomermaanden niet met sneeuw bedekte kalkgronden groeien bloemrijke vegetaties met o.a. Dryas octopetala, Astragalus alpinus, Oxytropis lapponica, Cassiope tetragona en Rhododendron lapponicum; op soortgelijke kalkarme standplaatsen heidevegetaties met o.a. kraaiheide en E. hermaphroditum, Arctostaphylos alpina, Loiseleuria procumbens, Phyllodoce coerulea, Diapensia lapponica en bosbessoorten. |
![]() |
Sognefjord Noorwegen |
Waar de sneeuw lang blijft liggen, leven de ‘sneeuwdalvegetaties’; kenmerkend zijn o.m. de dwergwilgjes Salix polaris, S. herbacea, S. reticulata, voorts Cassiope hypnoides, Ranunculus glacialis, Cerastium cerastoides, Cardamine bellidifolia. In de middelste alpine zone raken bosbessen en kraaiheide op de achtergrond en gaan ‘graslanden’ met Juncus trifidus, Carex bigelowii en Calamagrostis lapponica overheersen naast heiden met veel Cassiope, Phyllodoce, Diapensia en Loiseleuria. In de bovenste alpine zone, die in Noord-Noorwegen tot ca. 1000 m zeehoogte afdaalt, overwegen mossen en korstmossen. Plantengeografisch merkwaardig is het optreden van twee centra van alpine soorten, één in Zuid- en één in Noord-Noorwegen. Er is een kleinere tot het zuidelijk centrum beperkte groep (bijv. Artemisia norvegica), alsmede een uitsluitend noordelijke (bijv. Cassiope tetragona, Papaver dahlianum, Arnica alpina, Carex nardina, Arenaria humifusa). "Noorwegen," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
Tilpasset søgning
|