Planten en dieren in Oostenrijk |
| Foto's van Oostenrijk |
13/08/11
|
Oostenrijk is met 38% bos een van de bosrijkste landen van Europa. De vegetatie is overwegend montaan en alpien; de boomgrens, waarboven men de beroemde alpenflora aantreft, daalt van noordwest naar zuidoost van 2170 m in de Ötztaler Alpen tot 1400 m in de zuidoostelijke Kalkalpen. Het bos is overwegend – in de hogere regionen uitsluitend – naaldbos. In het heuvelland en het noordelijk vooralpengebied bestaat het, grotendeels door ontginning verdwenen, oorspronkelijke woud uit eikenhaagbeukenbos en eikenbeukenbossen; in het dal van de Donau komen plaatselijk nog hoogopgaande rivierdalbossen (‘Auenwälder’) voor, zowel wilgenpeppelbossen als bossen van grauwe els, es en iep. |
In het oosten, bijv. in het Wiener Becken en in Burgenland, treden reeds vele continentale (Pannonische en Illyrische) soorten op, zoals zwarte den, Quercus conferta, pluimes, Ostrya carpinifolia. In de hogere, montane zone overheersen in de noordelijke Alpen uitgestrekte beukenbossen, hogerop gemengd met zilverspar; in de drogere centrale Alpen komt de beuk echter niet meer voor en wordt hij vervangen door de grove den met een ondergroei van vleeskleurige dopheide, Polygala chamaebuxus e.a. In de bovenste montane en de subalpine zone overwegen de wouden van de fijnspar, gemengd met Europese lariks. In de noordelijke en vooral de noordwestelijke Alpen is de subalpine zone rijk aan arve en wordt de bosgrens gevormd door bergen; in de centrale Alpen spelen deze evenwel geen rol, hier grenst het fijnsparrenbos aan de boomgrens rechtstreeks aan de gordel van alpenrozen. |
Boven de naaldhoutgrens komen op natte hellingen, langs beken en op lawinebanen nog lage, struweelachtige bossen van alpenels voor. Bijzondere vermelding verdienen: de venen in het noorden; de droge centrale Alpendalen met hun kleurige, bloemrijke hooilanden; het Pannonische Burgenland met de rietmoerassen van de Neusiedler See en zoutsteppen, aansluitend bij de Hongaarse laagvlakte; de submediterrane dalflora van Steiermark en Karinthië.
De dierenwereld is Midden-Europees-alpien van karakter en sluit in veel opzichten aan bij die van Zuid-Duitsland en Zwitserland. |
![]() |
|
Typische bergbewoners als steenbok (ingevoerd), gems, sneeuwhaas en alpenmarmot bewonen de hoogst gelegen delen van het land. Aan Oost-Europese elementen dringt o.a. de siezel (een klein knaagdier dat de laagvlakte bewoont) door. Oostelijke elementen van Pontische afkomst zijn o.a. twee zoetwatervissen, de sterlet (een aan de steur verwante vis) en de Donaugrondel. Het grote roofwild (bruine beer, wolf, lynx) is al lang geleden (vrijwel) uitgeroeid. Het jachtwild (ree, edelhert, wild zwijn) is nog wijd verbreid. Van het vrij kleine aantal natuurreservaten is de wereldberoemde Neusiedlersee het bekendst; dit grote en zeer ondiepe zoetwatermeer met zeer wisselende waterstand ontleent zijn belangrijkheid aan de enorme vogelrijkdom (broedvogels ooievaar, lepelaar, purperreiger, kleine zilverreiger, enz.). Het reservaat Seewinkel sluit hierbij aan. Verder zijn belangrijk het Tauern Naturschutzpark (berggebied) en Marchauen-Marchegg (Wereld Natuur Fonds, 1970). "Oostenrijk," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|