Oostenrijk in de jaren 1945-1990 |
| Foto's van Oostenrijk |
14/08/11
|
Na de Duitse capitulatie in 1945 werd Oostenrijk door Sovjet-Russische, Amerikaanse, Britse en Franse troepen bezet; Wenen werd in vijf sectoren verdeeld (één voor elk van de bezetters, één gemeenschappelijke). In september 1945 werd een geallieerde Raad voor Oostenrijk ingesteld. De Oostenrijkers kregen een eigen regering, die, behalve met betrekking tot bezettingsaangelegenheden, alle normale bevoegdheden uitoefende. Na de verkiezingen van 25 november 1945 werd een katholieksocialistische coalitieregering gevormd, waarin ook een communist zitting kreeg. De communisten werden in november 1947 in de oppositie gedrongen. Verschillende door de westelijke geallieerden aan het eind van de jaren veertig ondernomen pogingen tot een vredesverdrag en beëindiging van de bezetting te komen, bleven nog steken op de weigerachtige houding van de Sovjet-Unie. Na de verkiezingen van 1953 werd de katholiek Raab bondskanselier. |
Na de val van Sovjet-premier Malenkov bleek dat de Sovjet-Unie bereid was ten aanzien van het vredesverdrag een andere koers in te slaan. Op 15 april 1955 kwamen Oostenrijk en de Sovjet-Unie overeen dat de bezettingstroepen voor het einde van dat jaar uit Oostenrijk zouden worden teruggetrokken en dat Oostenrijk een neutrale buitenlandse politiek zou gaan voeren tussen de grote machtsblokken. Op 15 mei 1955 tekenden de ministers van Buitenlandse Zaken van de Grote Vier te Wenen het vredesverdrag met Oostenrijk, het zgn. Staatsverdrag. Ondanks dat veel Oostenrijkers een actieve rol hadden gespeeld in het onderdrukkingssysteem van Hitler Duitsland en zeer weinigen zich in 1938 tegen de annexatie hadden gekeerd werd na 1945 in Oostenrijk nauwelijks een politieke zuivering gedaan. |
In deze jaren wortelde de nationale mythe dat het weerloze Oostenrijk het eerste slachtoffer van nazi-Duitsland was geweest. Pas in de jaren negentig erkende premier Vranitzky dat grote delen van de Oostenrijkse bevolking niet afkerig waren geweest van het nationaalsocialisme en er op grote schaal vervolgingen van joden en andere minderheden hadden plaatsgehad. Het punt dat in de volgende jaren de buitenlandse politiek van de republiek beheerste was de kwestie Zuid-Tirol (Trentino-Alto Adige). Pas in 1969 kwam tussen Wenen en Rome hierover een definitieve overeenkomst tot stand. De binnenlandse politiek bleef beheerst door de twee grote partijen, de (rooms-katholieke) Volkspartij en de (sinds 1957 |
![]() |
Zuid-Tirol. Beeld opreisgids.nl |
officieel niet meer principieel marxistische) socialistische partij. |
De coalitie tussen beide partijen, die vanaf het einde van de oorlog bestaan had, werd in 1966 verbroken en een regering van de confessionele Volkspartij onder leiding van Josef Klaus kwam aan de macht. Na de verkiezingen van april 1970, waarin de Volkspartij een nederlaag leed, werd deze regering vervangen door een socialistische minderheidsregering onder leiding van Bruno Kreisky. Deze slaagde erin in drie achtereenvolgende verkiezingen (1971, 1975, 1979) zijn kwetsbare parlementaire uitgangspositie uit te bouwen tot een comfortabele kamermeerderheid van 95 zetels voor zijn socialistische partij (SPÖ). Oostenrijk was onder zijn leiding intern stabiel, wat hem in toenemende mate populair maakte. Aan die populariteit werd nauwelijks afbreuk gedaan door een ernstige politieke nederlaag: in november 1978 werd bij referendum het in gebruik nemen van de kerncentrale bij Zwentendorf verworpen. Daarna werd het gebruik van kernenergie wettelijk onmogelijk gemaakt. Bedenkelijker voor de regering waren de schandalen waarbij de socialistische kopstukken betrokken waren. De val van minister van Financiën Androsch (1981) en de corruptieaffaire rond de bouw van een algemeen ziekenhuis in Wenen wierpen hun schaduw op de verkiezingen van 1983, die de regering haar meerderheid deden verliezen. Kreisky trad af en de SPÖ onder leiding van F. Sinowatz vormde een coalitie met de conservatiefliberale FPÖ. Het conflict om de bouw van de waterkrachtcentrale te Hainburg, waartegen de milieubeweging in opstand was gekomen, liep voor deze regering echter op een nederlaag uit (1985). |
![]() |
In de presidentsverkiezingen van 1986 won de ÖVP-kandidaat Kurt Waldheim, zij het met moeite, van de socialistische mededinger Sinowatz. Deze trachtte door onthullingen over het oorlogsverleden van de vroegere secretaris-generaal van de Verenigde Naties diens verkiezing te verhinderen, maar leed in Oostenrijk zelf hierdoor een gevoelig prestigeverlies. In de vervroegde verkiezingen van november 1986 leden de beide grootste partijen, de socialisten en de christendemocraten, een nederlaag, terwijl de rechtse liberalen, onder de jonge en dynamische leider Jörg Haider en de Groenen zetelwinst boekten. Sinowatz werd als kanselier door partijgenoot Vranitzky afgelost. Deze vormde een coalitieregering met de ÖVP, waarvan de voornaamste zorg was een in discrediet geraakte president zo mogelijk buiten schot te houden en Oostenrijk in het veranderende Midden-Europa een sterkere positie te verzekeren. In het voorjaar van 1990 ging Oostenrijk deel uitmaken van een ‘pentagulaire entente’, samen met Italië, Tsjechoslowakije, Hongarije en Joegoslavië. "Oostenrijk," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|