Griekenland
Griekse geschiedenis : Het onafhankelijke Griekenland
Beelden Griekenland

De nieuwe staat, van welks stichting de Filhellenen de wederopstanding van het oude Hellas hadden gehoopt, was economisch zwak en politiek verdeeld. Een Engelse, een Franse en een Russische ‘partij’ streden om de voorrang. De droom van een herstel van Byzantijns Griekenland (met inbegrip van Constantinopel en Klein-Azië) beheerste het beleid van de meeste van de snel wisselende regeringen. In 1827 was Capodistrias voor zeven jaar tot ‘president’ benoemd, maar hij werd in 1831 vermoord. Engeland gaf de voorkeur aan een Europese prins als koning, om een tegenwicht te vormen tegen Russische invloeden. Reeds in 1825 werd Leopold van Saksen-Coburg (de latere koning der Belgen) aangezocht, maar hij bedankte in 1830. In mei 1832 aanvaardde koning Lodewijk I van Beieren de Griekse kroon voor zijn 17-jarige zoon Otto, die in het daarop volgende jaar de Griekse bodem betrad.

Otto I (1832–1862) joeg een deel van de geestelijken en de aristocratie, die onder de Turken op regionaal niveau veel macht hadden bezeten, tegen zich in het harnas door zijn centralisatiemaatregelen. Een rebellie (1843) – doorgevoerd door de ‘Russische Partij’ – dwong hem om aan Griekenland een constitutie te beloven. Deze werd in 1844 door de volksvertegenwoordiging aangenomen en door de koning aanvaard; ministers werden Mavrokordato (Engelse partij), die aan hervormingen boven expansionistische avonturen de voorkeur gaf, en zijn rivaal Kolettis (Franse partij), die veroveringen primair stelde en de sympathie verkreeg van de koning en vooral van de energieke koningin Amalia. Tijdens de Krimoorlog leed Griekenland een echec; toen het opstanden in het nog Turkse Epirus en Thessalië wilde steunen, bezette een Engels-Frans vlooteskader Athenes haven, Piraeus (1854–1857).

In oktober 1862 werd koning Otto door een opstand tot aftreden genoopt. De volksvertegenwoordiging bood onder invloed van Engeland de kroon aan aan de zwager van de prins van Wales, de Deense prins Willem van Denemarken. Hij werd koning onder de naam George I en aanvaardde de regering op 31 oktober 1863 en regeerde tot zijn gewelddadige dood in 1913. Engeland beloonde deze keuze door de Ionische eilanden aan Griekenland af te staan (1864). In 1866 stonden de Kretenzers tegen de Turken op; zij ontvingen steun van Griekenland, dat de gelegenheid te baat trachtte te nemen om ook Epirus en Thessalië te verwerven. De grote mogendheden verijdelden deze aspiraties in 1869. Eerst in 1881 werd een succes geboekt: in het kielzog van de bepalingen van het Congres van Berlijn (1878) werden nu aan Griekenland het grootste deel van Thessalië en een stukje van Zuid-Epirus toegewezen. In 1896 brak opnieuw een opstand op Kreta uit; Griekenland stuurde troepen naar Macedonië, wat tot een Turkse oorlogsverklaring (1897) leidde. De Grieken werden verslagen en de grote mogendheden legden een regeling op: Turkije verkreeg in het noorden grenscorrecties, maar Kreta werd autonoom, met een zoon van de Griekse koning als gouverneur. Opstanden leidden ertoe dat deze in 1906 aftrad en dat de grote mogendheden over het lot van het eiland beschikten (1909). Deze vernedering veroorzaakte in Griekenland een nationale reactie, waardoor in 1910 Venizelos minister-president werd. De Balkanoorlogen (zie Eerste en Tweede Balkanoorlog) brachten

Otto I
Otto I
Griekenland een grote gebiedsuitbreiding: Macedonië, een deel van Zuid-Epirus en een aantal Egeïsche eilanden, waaronder Kreta.

Na de gewelddadige dood van George I (1913), onder wiens regering de bevolking van Griekenland was verdrievoudigd, de economie door betere communicatiemiddelen was gestimuleerd, maar de politieke corruptie niet blijvend was uitgeroeid, zag zijn zoon Constantijn I zich weldra geconfronteerd met de Eerste Wereldoorlog. Onmiddellijk openbaarde zich een diepe kloof tussen de koning en Venizelos. De laatste koos de zijde van de Entente, de koning, een zwager van keizer Wilhelm II, bepleitte neutraliteit. In 1915 stond Venizelos onder zeer verwarde omstandigheden (hij had de verkiezingen gewonnen, maar was door de koning ontslagen) de landing van Franse troepen te Saloníki toe, waar hij in 1916 een tegenregering oprichtte. De Entente blokkeerde de kust van het aan Constantijn trouw gebleven midden en zuiden van het Griekse vasteland. In juni 1917 werd Constantijn tot aftreden gedwongen; hij abdiceerde ten gunste van zijn tweede zoon, Alexander; de Fransen bezetten Athene. Venizelos, die nu zijn gezag in het gehele land vestigde, verklaarde de oorlog aan de centrale mogendheden (juni 1917). Griekenland nam deel aan het offensief dat in de herfst van 1918 tot de capitulatie van Bulgarije en de ondertekening van een wapenstilstand door Turkije (30 oktober 1918) leidde. Griekenland verwierf bij het verdrag van Neuilly (november 1919) westelijk Thracië van Bulgarije. Het Vredesverdrag van Sèvres (1920) met Turkije werd nooit geratificeerd; het bepaalde dat Griekenland Europees Turkije (zonder Constantinopel) en Smyrna (Izmir) in Klein-Azië zou verkrijgen.

George I
George I.
De Turkse revolutie, die Kemal Pasja (Kemal Atatürk) aan de macht bracht, weigerde de Griekse eisen te honoreren. Binnenslands werd na de dood van koning Alexander (oktober 1920) Constantijn teruggeroepen, nadat Venizelos opzij geschoven was. Gebrek aan steun van de zijde van de geallieerden (alleen Lloyd George steunde de Grieken) droeg bij tot een verpletterende nederlaag: de Turken veroverden Smyrna (september 1922) en de droom van een Griekse expansie in Klein-Azië was vervlogen. De koning abdiceerde ten gunste van zijn zoon George II, die echter in 1923 werd afgezet. Bij de vrede van Lausanne (1923) werd tot een grootscheepse Grieks-Turkse bevolkingsruil besloten en moest Griekenland berusten in de annexatie van de Dodekánesos door Italië (in 1912 door dat land op Turkije veroverd); Adrianopel en Smyrna moesten aan Turkije worden teruggegeven.

In de jaren na 1923 absorbeerde Griekenland – met financiële hulp van de Volkenbond – een miljoen vluchtelingen. Politiek bleef het land ten prooi aan grote tegenstellingen. In 1924 werd het officieel een republiek. Admiraal Koundouriótis werd president. Van januari tot augustus 1926 was er een kortstondige militaire dictatuur onder leiding van generaal Pángulos. De verkiezingen van 1928 brachten Venizelos opnieuw aan het bewind, die tot 1932 de macht uitoefende. Hij streefde met succes naar verzoening met Turkije. Overigens werd de ene regering na de andere ten val gebracht, waarbij generaals een grote rol speelden, die evenwel niet eensgezind waren. Tegenover de republikein Plastiras stonden de royalist Metaxas en de tot royalist bekeerde Kondylis, die in een kabinet-Tsaldaris als de sterke mannen fungeerden.

Metaxas
Metaxas.
Bij plebisciet werd koning George II uit zijn ballingschap teruggeroepen (1935). Weldra wierp generaal Metaxas zich tot dictator op (gest. januari 1941). Emmanuel Buchot en Encarta.
Tilpasset søgning