Noorwegen : Bestuur en samenleving |
| Foto's van Noorwegen |
25/07/11
|
Noorwegen is een constitutionele monarchie. De grondwet dateert van 1814. De wetgevende macht berust bij het Storting (parlement), bestaande uit 169 leden, voor vier jaar bij algemeen kiesrecht volgens een districtenstelsel gekozen. Noorwegen kent een mengvorm van één- en tweekamersysteem: weliswaar is er slechts één kamer, maar die deelt zichzelf in een Lagting (? van de leden) en een Odelsting (?). Meestal vergadert het Storting plenair, maar bij wetgevende arbeid worden de wetsontwerpen eerst behandeld in het Odelsting en vervolgens in het Lagting. In 2007 werd besloten deze interne scheiding bij de verkiezingen in 2009 op te heffen. De uitvoerende macht berust formeel bij de koning, maar de staatsraad bepaalt de inhoud van de koninklijke besluiten, die door de minister-president mede moeten worden ondertekend. De koning benoemt de leden van de staatsraad (regering), die verantwoording schuldig is aan het parlement. |
De instelling in 1962 van (thans vier) verschillende ombudsmannen beschermt de burger tegen willekeur van alle overheidsorganen. |
Het land is ingedeeld in negentien provincies (fylker), met aan het hoofd een gouverneur (fylkesmann). De kleinste bestuurlijke eenheden zijn de gemeenten. Svålbard (Spitsbergen) heeft een bijzondere status en wordt bestuurd door een gouverneur (sysselmann), die rechtstreeks onder de regering in Oslo ressorteert. Oslo is een zelfstandige provincie.
Noorwegen is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, de Noordse Raad, de NAVO, de OESO, de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) en de Wereldhandelsorganisatie. |
Daarnaast heeft Noorwegen een vrijhandelsovereenkomst met de EU en heeft het als enige land de status van ‘niet-volledig lid’ van het IEA (Internationaal Energie Agentschap). Het is geassocieerd lid van de WEU. |
Politieke partijen en vakbeweging |
De belangrijkste politieke partijen zijn de Noorse Arbeiderspartij (Det norske Arbeiderparti; opgericht in 1887, sociaaldemocratisch), Høyre (‘Rechts’; opgericht in 1884, conservatief), Centrumpartij (Senterpartiet; in 1920 opgericht als Boerenpartij, naamsverandering in 1959), Christelijke Volkspartij (Kristelig Folkeparti; opgericht in 1933), Venstre (linksliberaal; opgericht in 1884), Socialistisch Links (extreemlinks,in 1975 ontstaan door een fusie van verschillende linkse partijen) en de Vooruitgangspartij (Fremskrittspartiet, opgericht in 1973, rechts-populistisch). Het socialistische en het niet-socialistische blok houden elkaar sinds de jaren zestig vrijwel in evenwicht. |
![]() |
Na de verkiezingen van 12 september 2005 waren de in totaal 169 zetels in het parlement (Storting) als volgt verdeeld: Noorse Arbeiderspartij 61 [was 43 in 2001], Vooruitgangspartij 38 [was 26], Conservatieve Partij 23 [was 38] , Socialistische Linkse Partij 15 [was 23], Christelijke Volkspartij 11 [was 22], Centrumpartij 11 [10 in 2001], Liberale Partij 10 [was 2]. De vakbonden spelen een belangrijke rol in Noorwegen; 60% van de werkende bevolking is bij een vakbond aangesloten. Tegenwoordig zijn er 28 naar beroepsgroep onderverdeelde vakcentrales, die alle bij de Nationale Organisatie (Landsorganisasjonen, LO) zijn aangesloten. "Noorwegen," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
Tilpasset søgning
|