Noorwegen

Noorwegen van 11 tot 16e eeuw

Foto's van Noorwegen
25/07/11

Met de dood van koning Knut van Denemarken (1035) viel Denemarken voorlopig weg als machtsfactor in Noorwegen. Olafs zoon Magnus werd koning in heel Noorwegen, dat zowel in als buiten Scandinavië nu erkend werd als een onafhankelijk, soeverein koninkrijk. Onder de regering van Harald Hardhrádi (‘de resolute bestuurder’), volgens de overlevering ook een Yngling, kwam een kerkelijke indeling tot stand en werden wetten opgetekend; Oslo en Bergen verrezen in de nabijheid onder de bescherming van koninklijke burchten. Een reeks familietwisten zorgde voor een nieuwe periode van onrust. Omstreeks het midden van de 13de eeuw scheen het alsof de Ynglingendynastie was uitgestorven; een afstammeling van een van de voornaamste geslachten van West-Noorwegen, de vijfjarige Magnus Erlingsson, werd door de aartsbisschop van Nidaros (Trondheim) tot koning gekroond (1163). Voortaan, zo bepaalde men, zou slechts de oudste wettige zoon tot de opvolging zijn gerechtigd.

Maar plotseling dook een nieuwe pretendent op: Sverre, die beweerde een zoon te zijn van een van de laatste Ynglingen die tijdens de familietwisten was omgekomen. Onder diens voortreffelijke leiding behaalden de birkebeiner grote overwinningen op hun tegenstanders, de bagler. In 1184 gelukte het Sverre zich meester te maken van de macht, maar de clerus, aangevoerd door de bisschop van Oslo, Nikolas Arnesson, zette de strijd voort en bewerkte dat de koning werd geëxcommuniceerd. Eerst onder de regering van Sverres kleinzoon Haakon IV Haakonsson kwam de verzoening tot stand. Het bestuur van de laatste Ynglingen, Haakon IV, Magnus Lagabøte (‘Wetshervormer’) en diens zoons Erik en Haakon (gest. 1319), verliep relatief rustig. Het rijk was machtiger dan ooit; de koloniën, in de loop van de 9de en 10de eeuw gesticht op de Orkaden, Shetland, de Faeröer, IJsland en Groenland, hadden de opperheerschappij van het moederland erkend.

Toch was een culturele en economische achteruitgang reeds toen, en in de 14de en 15de eeuw ook in politiek opzicht, onmiskenbaar. Vermindering van het aantal handels- en oorlogsschepen bemoeilijkte de verbindingen tussen de rijksdelen onderling, de betekenis van de hanze voor de in- en uitvoer nam toe. Belangrijke oorzaak van een en ander was de pestepidemie in de 14de eeuw die de bevolking halveerde en onder de maatschappelijke bovenlagen nog ernstiger huis hield: het aantal adellijke families (de bestuurlijke ruggengraat) werd gereduceerd van 300 tot 60 en de clerus (belangrijk voor onderwijs en cultuur) werd gedecimeerd.

Na het uitsterven van de dynastie was Noorwegen in een personele unie verenigd met Zweden (1319–1380) en vervolgens met steeds hechtere banden met Denemarken (tot 1814). Toen in 1533 de naar de Nederlanden uitgeweken Deense koning Christiaan II trachtte zijn heerschappij over de noordse rijken te heroveren, waagde tevens de aartsbisschop Olaf Engelbrechtsson een poging de Noorse autonomie te herstellen. De strijd tegen de Reformatie werd hiermee dienstbaar gemaakt aan het Noorse verlangen naar autonomie. Maar na Olafs vlucht legde de zegevierende Christiaan II het land de Deense kerkordening op, benoemde hij in Noorwegen Deense geestelijken en beval het gebruik van de Deense bijbelvertaling. Denen verdrongen Noren in de Rijksraad en Deense ambtenaren regeerden het land.

stavkirke
Stavkirke
"Noorwegen," © Schriftelijke door en Encarta.
Tilpasset søgning