Libië

Geschiedenis van Libië : Bewind van Kaddafi

Foto's van Libië
22/08/11

Op 24 december 1951 werd het land onafhankelijk, onder het koningschap van de leider van de Senoessijja, Mohammed al-Idriss. In april 1953 trad het land als achtste lid toe tot de Arabische Liga.

Libië kampte sinds zijn onafhankelijkheid met ernstige politieke, economische en financiële moeilijkheden. De inzichten van de Egyptische president Nasser betreffende het zgn. Arabische socialisme deden ook bij velen in Libië ontevredenheid ontstaan over de monarchie en de handelingen van de vaak conservatieve ministers en raadgevers van de koning.

Van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië ontving Libië financiële steun, maar het moest in ruil hiervoor de vestiging van Amerikaanse en Britse militaire bases op zijn grondgebied accepteren. Militaire hulp ontving het voorts van Turkije. Met de Sovjet-Unie werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt.

Bewind van Kaddafi

Een grote verandering in de economische situatie voltrok zich na 1959, toen werd ontdekt dat Libië de rijkste aardolievoorraden van het Afrikaanse continent herbergde. Een ontwikkelingsprogramma kwam op gang, maar het verzet tegen de regering en de koning van de zijde van radicale elementen nam nog voortdurend toe.

Vanaf 1964 haalde Libië de banden met de drie Maghreblanden Tunesië, Algerije en Marokko steeds nauwer aan. Na de Juni-oorlog of Zesdaagse Oorlog met Israël in 1967 stelde Libië tot september van dat jaar een olie-embargo in tegen de Verenigde Staten en Engeland.

De in het leger, vooral onder de jongere officieren, bestaande ontevredenheid over het conservatief en corrupt geachte bewind van de koning leidde op 1 september 1969 tot een staatsgreep van een groep jonge officieren onder leiding van kolonel Kaddafi. Zij riepen de republiek uit en verklaarden dat Libië zich in zijn interne en externe politiek meer dan voorheen door de doelstellingen van het arabisme zou laten leiden. De in Libië werkende buitenlanders werden zoveel mogelijk vervangen door Libiërs en andere Arabieren. Nog in Libië wonende Italianen en joden (ca. 25 000) werden aangemoedigd het land zo snel mogelijk te verlaten. De ontruiming van de Amerikaanse en Britse bases, waarover al vóór de staatsgreep een akkoord was bereikt, werd in 1970 voltooid. Kaddafi propageerde Arabische eenheid (zie ook panarabisme) onder islamitische vlag; hij zag zijn plannen in die richting echter doorkruist door zijn eigen impulsieve, ondiplomatieke uitspraken en initiatieven, die de betrekkingen met andere staten, Arabische zowel als niet-Arabische, ongunstig beïnvloedden. Op 17 april 1971 kwam weliswaar, vooral door Kaddafi's inspanningen, een Federatie van Arabische Republieken (FAR), bestaande uit Libië, Egypte en Syrië tot stand, maar gevolgen voor de politieke praktijk bleven uit.

Kaddafi Libië
Alexander de Grote.
Van een door Kaddafi en president Anwar al-Sadat van Egypte aangekondigde volledige Libisch-Egyptische unie was na de Oktoberoorlog of Jom Kippoer-oorlog (1973; zie ook Israël § 6.7), waaraan Libië weigerde deel te nemen wegens de beperkte oorlogsdoeleinden van Egypte en Syrië, geen sprake meer en in augustus 1974 kwam het tot een complete breuk tussen Tripoli en Caïro.

Van de samensmelting van Libië en Tunesië tot een Islamitische Arabische Republiek, in januari 1974 door Kaddafi en president Habib ben Ali Bourguiba aangekondigd, en van andere plannen tot fusie met buurlanden werd niets meer vernomen. Verrassend was – tegen de achtergrond van Kaddafi's herhaaldelijk geuite kritiek op de Sovjet-Unie en het communisme in het algemeen – de Libische toenadering tot de Sovjet-Unie sinds 1974, terwijl de verhouding tot het Westen verder verslechterde. De relatie met het buurland Egypte bereikte een dieptepunt na de Jeruzalemreis van de Egyptische president Sadat in november 1977. Vanaf 1974 werd Kaddafi’s greep op de binnenlandse politiek steeds nadrukkelijker. Zijn ‘Derde Internationale Theorie’, een ideologisch samenraapsel van socialistische, nationalistische en islamitische elementen, moest een alternatief bieden tussen kapitalisme en communisme. De Libische staat werd hervormd en nieuwe instituten als het Algemeen Volkscongres en het Algemeen Volkscomité (regering) zagen het licht. In 1977 werden veranderingen gesymboliseerd in de nieuwe naam van het land: Libische Arabische Socialistische Djamahiriya (republiek van de volksmassa’s). In zijn buitenlandse politiek werd Libië in de jaren zeventig en tachtig gekenmerkt door de steun aan allerlei bevrijdingsbewegingen, terroristische organisaties en dictatoriale regimes, zoals dat van Idi Amin in Oeganda. Binnenslands nam in 1978 en 1979 het verzet tegen de steeds groter wordende invloed van de Volkscomités toe, m.n. bij de middenklasse en de

Zoon van Kaddafi
Zoon van Kaddafi.
studenten, maar ook bij de islamitische geestelijkheid. Daarnaast heerste er grote ontevredenheid over de economische situatie, vooral over het tekort aan levensmiddelen. Daarop werden op grote schaal zuiveringen uitgevoerd in kringen van handelaren en intellectuelen. In de eerste helft van 1980 voerden in het buitenland studerende Libiërs, daartoe aangezet door de regering, moordaanslagen uit op Libische ballingen, wat tot een serie diplomatieke incidenten heeft geleid. Kaddafi deed in 1979 afstand van zijn officiële regeringsfuncties (sinds 1969 had hij ze in wisselende combinaties bekleed). Hij bleef echter de belangrijkste man in Libië. In 1980 greep Libië militair in in de burgeroorlog in Tsjaad en begin 1981 werd een fusie tussen beide staten aangekondigd.

Al snel raakte Kaddafi echter in conflict met de regering-Habré, die de macht in Tsjaad had overgenomen. Niet alleen hield Libië sinds 1973 de Aozoustrook bezet, nu steunde het ook de rebellen van G. Oueddei. De regering van Tsjaad riep in 1983 Franse hulp in, waardoor de Libische betrokkenheid beperkt bleef tot het gebied ten noorden van de 16de breedtegraad. In 1987 werden de Libische troepen vrijwel volledig uit Tsjaad verdreven. Terwijl in 1983 een vriendschapsverdrag met de Sovjet-Unie was gesloten, verslechterden de betrekkingen met de Verenigde Staten verder. Washington ontkende de Libische aanspraken op de Golf van Sirte, waardoor het enige malen tot luchtgevechten kwam boven de Middellandse Zee. Ook beschuldigden de Verenigde Staten Libië van steun aan het internationale terrorisme. In april 1984 verbrak Groot-Brittannië de betrekkingen met Tripoli nadat een Libische diplomaat in Londen een agent had doodgeschoten. Op 15 april 1986 voerde de Amerikaanse luchtmacht een bombardement uit op Tripoli en Benghazi, waarbij tientallen doden vielen, onder wie Kaddafi’s dochtertje. De Verenigde Staten riepen op het Libische bewind internationaal te isoleren. In december 1988 stortte een Amerikaanse Boeing-747 neer bij het Schotse plaatsje Lockerbie. Onderzoek wees uit dat twee Libiërs door middel van een bom de aanslag moesten hebben gepleegd. Ook de bomaanslag op een Franse DC-10 boven Niger werd aan Libië toegeschreven. Libië weigerde de verdachten over te dragen aan de Westerse justitie.

Tripoli in Libië
Tripoli.

Als straf hiervoor legden de Verenigde Naties Libië sancties op, waaronder een verbod op luchtverkeer naar het buitenland. De betrekkingen met de buurlanden Egypte en Tunesië waren inmiddels op een dieptepunt gekomen, o.a. door de massale uitwijzing van gastarbeiders. Sinds eind jaren tachtig poogt Kaddafi door een matiging van zijn buitenlandse beleid het Libische isolement te doorbreken. In juni 1989 werden de betrekkingen met Egypte hersteld. Libië en Tsjaad tekenden in april 1994 een overeenkomst waarin Libië zich verplichtte de uraniumrijke Aozoustrook aan Tsjaad terug te geven. Kaddafi kondigde in september 1994 maatregelen aan om de bloeiende zwarte markt te bestrijden, voorlopig echter zonder veel resultaat. In juni 1995 brak een opstand uit in verschillende steden in het noordoosten, waarbij doden vielen en honderden arrestaties werden verricht. In de steden Benghazi en Derna kwam het in 1996 tot botsingen tussen het leger en fundamentalistische organisaties die zich verzetten tegen het bewind van Kaddaffi. Ook in juli kwam het in Tripoli tijdens een voetbalwedstrijd tot een demonstratie tegen Kaddaffi, waarbij tientallen doden vielen.De Verenigde Staten verscherpten de sanctie tegen Libië en namen een wet aan om buitenlandse bedrijven te kunnen straffen die meer dan $ 40 miljoen in de Libische energiesector investeerden. Vooral Frankrijk en Italië, die grote oliebelangen hebben in Libië, protesteerden fel tegen deze Amerikaanse maatregel. In de zomer van 1997 bracht Amnesty International een rapport uit over Libië, waaruit bleek dat het uitermate slecht was gesteld met de mensenrechtensituatie.

In april 1999 kwam er een eind aan het maandenlange diplomatieke getouwtrek om de uitlevering van twee Libische verdachten van de aanslag op een Amerikaans passagiersvliegtuig boven het Schotse Lockerbie in december 1988. Op 5 april leverde Libië de twee verdachten uit aan een Schotse rechtbank in het Nederlandse Kamp Zeist. De uitlevering leidde tot de opschorting van de VN-sancties. Groot-Brittannië herstelde in juli de diplomatieke betrekkingen met Libië, die in 1984 waren verbroken nadat vanuit de Libische ambassade in Londen op demonstranten was geschoten, waarbij politieagente Yvonne Fletcher was gedood. Libië erkende voor haar dood verantwoordelijk te zijn en betaalde een schadevergoeding aan de nabestaanden. Italië, de belangrijkste handelspartner van Libië, wierp zich op voor de wederopneming van Libië in de internationale gemeenschap. Het herstel van de relaties met de Verenigde Staten verliep moeizamer. "Libië" © Schriftelijke door en Encarta

Tilpasset søgning