Sovjet-Unie : Lenins laatste jaren. Stalins voortzetting |
| Beelden Sovjet-Unie | |
De oppositionele tendensen, de chaotische industriële toestand, de ontevredenheid van de boeren wegens de grote, gedwongen voedselleveranties, de honger in de steden, kortom de algehele crisissituatie, deed Lenin besluiten de teugel te vieren en de zgn. Nieuwe Economische Politiek (NEP) te gaan voeren. Deze hield in dat op beperkte schaal priveóndernemingen werden geduld in handel en nijverheid. De boeren werd een vaste belasting in natura opgelegd; de overschotten mochten zij op de markt verkopen. De zware industrie en de banken bleven staatseigendom, ter sturing waarvan een staatsplanbureau, Gosplan, werd opgericht. De NEP had succes. Weliswaar was er in 1921/1922 nog sprake van een ernstige hongersnood en gedurende de gehele jaren twintig van grote groepen werklozen, maar het regime wist in 1928 het economische peil van 1913 weer te bereiken. Op politiek gebied volgde geen ontspanning. De laatste resten van de socialistische partijen verdwenen. |
In de partij voltrok zich intussen een transformatie. Van een groep beroepsrevolutionairen werd het een strikt hiërarchisch georganiseerde functionarissen- en managerspartij, die op basis van het democratisch centralisme geleid werd door een kleine groep personen. In 1922 begon de strijd over de opvolging van Lenin, die in dat jaar ernstig ziek was geworden. Lev Trotski leek de aangewezen man. Tegen hem vormde zich een driemanschap van Grigorij Jevsejevits Zinovjev, Lev Kamenev en de secretaris-generaal van de partij, Josif Stalin. Deze laatste was begonnen met de opbouw van een hem toegewijd partijapparaat. Stalin zou de opvolgingsstrijd winnen. Begin 1924 volgde hij Lenin op. Stalins macht in de partij nam zodanig toe dat Zinovjev en Kamenev zich in 1925 bij Trotski voegden. Stalin werd in het Politburo gesteund door Nicolak=j Boecharin, Aleksej Rykov en Tomski. De strijd om de macht was tegelijk een ideologische strijd: |
![]() |
|
Stalin |
||
Trotski was voor snelle industrialisatie ten koste van de boeren en hing de theorie van de permanente revolutie aan; Stalin was voor het continueren van de NEP en hij ontwikkelde de these van het opbouwen van het socialisme in één land. Vanaf 1925 lukte het Stalin zijn tegenstander geleidelijk van zijn functies te beroven; hij overwon Trotski definitief eind 1927. Nadien nam Stalin het programma van de verslagen ‘linkse oppositie’ over, waarmee hij de groep van Boecharin, nu als ‘rechtse oppositie’ gebrandmerkt, te lijf ging en deze in 1929 brak; hierna ving de periode van de alleenheerschappij van Stalin aan.
De in de jaren twintig gevoerde buitenlandse politiek was sterk dualistisch: |
||
enerzijds voerde men door middel van de Komintern een ideologische politiek (verbreiding van de revolutie), anderzijds een traditionele politiek, waarbij het staatsbelang voorop stond. |
Toen de wereldrevolutie uitbleef en de omwentelingen in Duitsland, Hongarije, Slowakije, Beieren, enz. faalden, werd de Komintern, met behoud van de ideologie op lange termijn, in feite een instrument van een nationale belangenpolitiek van de Sovjet-Unie. Nadat reeds verdragen met o.a. Turkije (1921) waren gesloten, werd de Sovjet-Unie in 1924/1925 erkend door diverse landen. Van groot belang was de relatie met Duitsland, waarmee via het Verdrag van Rapallo (1922) nauwe politiek-economische banden werden aangeknoopt. Met de Chinese Kwo-min-tang-tegenregering werd een politiek van coöperatie gevoerd. In 1927 kwam hieraan een eind, toen Tjiang K’ai-sjek een bloedbad onder de communisten aanrichtte. In 1928 onderging de binnenlandse politiek een ommekeer, als het ware een derde revolutie, door het in werking stellen van het eerste vijfjarenplan. |
In zeer korte tijd moest de industrie op hoog niveau gebracht worden, te beginnen met de zware industrie, teneinde de verwezenlijking van het communisme te bespoedigen. Talloze boeren werden als arbeider tewerkgesteld. Kapitaal voor de industrialisatie hoopte men o.m. te verkrijgen via de inkomsten uit een verhoogde landbouwproductie. Hiertoe werd in 1929 begonnen met een collectivisatiecampagne, die in 1936 voor 90% voltooid was. Dit ging gepaard met het liquideren van de ‘klasse der koelakken’. De gedwongen vorming van kolchozen werd door de boeren tegengewerkt, met als gevolg een hongersnood van ongekende omvang in 1932/1933. De geforceerde, eenzijdige industrialisatie leidde voorts tot een verlaging van de levensstandaard, overhaaste verstedelijking en ernstige woningnood. De er eveneens uit voortvloeiende sociale nivellering werd algauw door verschil in arbeidswaardering en loon tenietgedaan. Met het aan de macht komen van Stalin begon de persoonsverheerlijking en werden de revolutionaire waarden vervangen door burgerlijke (inclusief het patriottisme). De cultuur werd geheel geüniformeerd, iedere vorm van onafhankelijk denken werd de kop ingedrukt. Om voorbeelden te stellen en zondebokken aan te wijzen werd een aantal showprocessen georganiseerd: het Sjachty-proces, de processen tegen de ‘Industriële partij’, tegen de mensjeviki e.a. De arbeidsdiscipline werd streng gereglementeerd; ter opvoering van de prestatie werd het stachanovisme geïntroduceerd. De partij vierde al deze successen op het ‘Congres der overwinnaars’ (1934), waarna een periode van ontspanning een aanvang scheen te nemen. In 1936 trad een nieuwe grondwet theoretisch in werking. © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |