Klimaat van Griekenland
|
Beelden van Griekenland |
|
De kuststreken vertonen in het algemeen typisch mediterrane klimaatstrekken, nl. een hete droge zomer en een zachte winter, waarbij de neerslag vooral in het winterhalfjaar valt. Daar deze neerslag meest door westelijke winden wordt aangevoerd, krijgt de westkant van Griekenland daarvan veel meer dan de oostkant. In Macedonië en in het binnenland gaat de continentale invloed duidelijk meespreken, hetgeen tot uitdrukking komt in de lagere wintertemperaturen en in een grotere spreiding van de neerslag over het gehele jaar. Gewoonlijk valt de neerslag in heftige buien en is daardoor beperkt tot een gering aantal dagen. De jaarlijkse hoeveelheden vertonen grote schommelingen. In 2007 werd in juni de hoogste temperatuur gemeten sinds 110 jaar: 44,8 graden. |
Klimaat Kaart van Griekenland
|
![]() |
|
Klimaat Kaart van Griekenlandd. Encarta |
|
In vroeger tijden was Griekenland een bosrijk land, maar ten gevolge van eeuwenlange begrazing door geiten en schapen plus overmatige kap in de 19de eeuw zijn er nu alleen nog restanten van de eens uitgestrekte wouden. De minder toegankelijke berghellingen zijn nog steeds bedekt met Griekse zilversparren, beuken en Corsicaanse dennen, vooral in het Pindhosgebergte, waar de grootste overgebleven bossen van Griekenland worden aangetroffen. |
Onder de 1200 m komen vooral loofverliezende eiken, kastanjebomen en Aleppodennen voor, met hier en daar ook altijdgroene eiken en haagbeuken, langs de rivieren platanen en populieren. In lagere gebieden vindt men de altijdgroene eik samen met het dichte maquis, struikgewas dat beneden de 500 m tezamen met wingerd en olijfboom wordt aangetroffen. Op droge kalksteenhellingen en op veel van de eilanden degenereert het maquis tot phrygana, een wirwar van aromatische planten. In Noord-Griekenland, met evenredig over de seizoenen verdeelde regenval, komt de kermeseik voor op de steilere berghellingen, samen met de beuk en de jeneverbes. |
Dierenwereld |
Mede als gevolg van het sterk verkleinde bosareaal zijn er slechts weinig grote zoogdieren. Het edelhert is vrijwel uitgeroeid; de ree komt nog voor, evenals de gems, voorts een wilde geit op enkele eilanden en het wilde zwijn. In het noordwesten komen nog wolven voor, de jakhals is algemener. Ook wilde kat, steenmarter, otter, das en wezel worden nog aangetroffen, evenals, langs de kust, de monniksrob. Vermeldenswaard zijn de Griekse landschildpad, de Moorse landschildpad en de alleen in Griekenland voorkomende landschildpad Testudo marginata; zij nemen sterk in aantal af. Tot de zeebewoners behoren makreel, tonijn en sardine, kreeften, inktvissen, schelpdieren en sponzen. Er zijn drie nationale parken (ca. 52 000 ha) en op enkele eilanden natuurreservaten. Emmanuel Buchot en Encarta. |
![]() |
Dierlijke Griekenland. Beeld Emmanuel Buchot |
Tilpasset søgning
|