Italië in de 70 : Rol communisten
|
Foto's Italië |
|
In juni 1975 leverden regionale verkiezingen grote winst op voor de door partijsecretaris Enrico Berlinguer geleide Communistische Partij (PCI), een trend die in 1976 bij de parlementsverkiezingen werd bevestigd: de DC kreeg 38,7% van de stemmen; de PCI veroverde 34,4%. Het succes van de communisten kon vooral verklaard worden door de vele corruptieschandalen waarbij vooral de DC, maar ook alle andere regeringspartijen betrokken waren. Daarnaast speelden internationale ontwikkelingen een rol van betekenis. De tijdelijke ontspanning tussen Oost en West maakte dat de PCI en andere communistische partijen in West-Europa mogelijkheden zagen deel te nemen aan het openbaar bestuur. Tegelijkertijd kwamen deze partijen met voorstellen voor een alternatieve, democratische, weg naar de verwezenlijking van het socialisme (de zogenoemde ‘derde weg’). Deze richting stond bekend onder de noemer ‘Eurocommunisme’. |
Berlinguer streefde sinds 1973 naar samenwerking met de DC en de PCI in een grote coalitie (compromesso storico) en niet naar een links alternatief zonder de DC. Aangezien centrumrechtse regeringen politiek niet haalbaar waren en de socialisten op dat moment niet bereid waren terug te keren naar centrumlinkse regeringen onder christendemocratische premiers, bleef Andreotti in juli 1976 weinig anders over dan het vormen van een minderheidsregering die gedoogd werd door alle partijen van de liberalen tot en met de communisten. De PCI streefde echter naar regeringsverantwoordelijkheid. Begin 1978 werd Andreotti tot aftreden gedwongen. Bij het oplossen van de regeringscrisis bemiddelde de voorzitter van de DC, Aldo Moro, vooral om naar een formule te zoeken waarbij de PCI in feite zou meeregeren, maar formeel buiten de regering zou blijven. Moro slaagde in die poging; hij begeleidde op die manier de katholiek-communistische samenwerking op een zorgvuldig langzame wijze. |
Daar kwam echter een abrupt einde aan toen Moro op 10 maart 1978 door de linkse terroristische organisatie Rode Brigades (Brigate Rosse) werd ontvoerd. Diezelfde dag stemde het parlement voor de vierde (minderheids)regering onder leiding van Andreotti. Op 9 mei werd het lijk van Aldo Moro gevonden. De katholiek-communistische samenwerking duurde daarop nog tot januari 1979, toen de regering tot aftreden gedwongen werd. Steeds werd het de PCI duidelijker dat zij tussen de wal en het schip dreigde terecht te komen door noch regeringspartij, noch oppositie te zijn: de loyale houding jegens de DC en de regering (die immers gedoogd werd) dreigde de PCI veel stemmen te gaan kosten. In juni 1979 werden opnieuw vervroegde verkiezingen gehouden. Het terrorisme speelde uiteindelijk de regeringspartij die de democratische orde moest handhaven, in de kaart; bij de verkiezingen bleef de DC vrij stabiel op 38,3% staan, terwijl de PCI 4% verlies leed. De DC, die zich hierdoor veel minder door de PCI opgejaagd voelde, kon nu in alle rust naar een nieuwe regeringscombinatie toewerken. Er kwamen kabinetten tot stand onder leiding van Francesco Cossiga (van augustus 1979 tot april 1980 en van april tot september 1980) en Arnoldo Forlani (van oktober 1980 tot mei 1981), waaraan behalve de christendemocraten ook de republikeinen, liberalen, sociaaldemocraten en sedert 1980, de socialisten in wisselende combinaties deelnamen. |
![]() |
Enrico Berlinguer in Italië |
| Uiteindelijk konden al deze partijen verenigd worden in de pentapartito (vijfpartijencoalitie). In 1981 moest de DC onder invloed van het schandaal rond de vrijmetselaarsloge P2 het premierschap afstaan. © Emmanuel Buchot en Encarta. |
Tilpasset søgning
|