Italië
Italië in de 20e eeuw : Het fascisme
Foto's Italië

Het einde van de oorlog bracht, zoals elders in Europa, ook Italië aan de rand van de afgrond: de liberale regering was zwak, de economische toestand slecht, de ontevredenheid groeide, er braken stakingen en ongeregeldheden uit en communistische arbeiders gingen tot de bezetting van fabrieken over. De communisten kwamen in botsing met de in 1919 opgerichte fascistische beweging van Benito Mussolini. In oktober 1922 organiseerden de fascisten een mars naar Rome, waarna Mussolini door Victor Emanuel tot minister-president benoemd werd. Mussolini stond aanvankelijk aan het hoofd van een coalitiekabinet, maar eind 1924 schakelde hij de oppositie uit en sindsdien regeerde hij dictatoriaal. De Kamer werd vervangen door een corporatief adviserend lichaam waarin de maatschappelijke groepen zouden zijn vertegenwoordigd (deze nieuwe staatsstructuur is nooit van de grond gekomen).

Het bestuur van de fascistische partij, de Grote Fascistische Raad, kreeg verstrekkende bevoegdheden, maar kwam zelden of nooit bijeen. Op de samenstelling van de Raad had Mussolini, die zich ‘duce’ (= aanvoerder) liet noemen, overwegende invloed.

Het gezag werd zo van boven af opgelegd. Ook in het economische leven, de pers, het onderwijs en de jeugdbeweging was de staatsinvloed groot. Door het noodzakelijke samenleven met allerlei conservatieve krachten (m.n. het grootkapitaal, de monarchie, het leger en de kerk) verloor het fascisme geleidelijk zijn revolutionaire trekken.

In de buitenlandse politiek eiste Mussolini voor Italië de positie van grote mogendheid op. In 1935 vielen de Italianen Abessinië (Ethiopië) binnen, dat in mei 1936 bij het Italiaanse koloniale rijk werd ingelijfd.

De Volkenbond beantwoordde deze daad met economische sancties, die echter nauwelijks uitwerking hadden. In de Spaanse Burgeroorlog verleende de Italiaanse regering steun aan de opstand van generaal Franco. Met het in 1933 in Duitsland aan de macht gekomen geestverwante bewind van Adolf Hitler was de verhouding aanvankelijk koel, soms zelfs gespannen, vanwege de Duitse aspiraties inzake Oostenrijk. Als gevolg van de Abessijnse Oorlog (zie Ethiopië § 5.2) ontstond er echter toenadering en werd in oktober 1936 een verdrag van samenwerking gesloten (‘As Rome-Berlijn’). In het voorjaar van 1939 gaf Italië van zijn expansieve aspiraties blijk door Albanië te bezetten en in te lijven. Mussolini wendde zijn invloed aan om de Britten en Fransen te München te doen berusten in de Duitse eisen aangaande Tsjechoslowakije (Conferentie van München, 1938; zie ook Sudetenduitsers), maar toen de Duitsers op 1 september 1939 ook Polen binnenvielen, faalde zijn bemiddeling. Op 10 juni 1940, toen het Franse leger al was verslagen, verklaarde Italië de oorlog aan Groot-Brittannië en Frankrijk in de hoop de aanspraken op Nice, Corsica en Tunesië te kunnen verwerkelijken. Opnieuw bleek de Italiaanse strijdmacht inferieur. De eind 1940 begonnen oorlog tegen Griekenland kon alleen dankzij de Duitse hulp in april 1941 worden beslecht. In Oost-Afrika waren de Italianen niet opgewassen tegen de Britten (val van Addis Abeba, 6 april 1941). In Libië schoot de Duitse veldmaarschalk Rommel de falende Italianen te hulp, wat niet kon verhinderen dat de

Mussolini in Italië
Mussolini in Italië.
Britten onder Montgomery na de Slag bij El Alamein (oktober 1942) ook hier de overwinning behaalden. Op 10 juli 1943 landden de geallieerden, inmiddels versterkt met de Verenigde Staten, op Sicilië. Vijftien dagen later werd Mussolini door de Grote Fascistische Raad afgezet. Zijn opvolger, maarschalk Badoglio, sloot op 3 september een wapenstilstand met de geallieerden en verklaarde op 13 oktober 1943 de oorlog aan Duitsland. Op 8 september 1943 landden de geallieerden bij Salerno. De strijd om Italië werd geheel overgenomen door de Duitsers, die langzaam naar het noorden werden teruggedrongen; op 4 juni 1944 werd Rome bevrijd. In Noord-Italië riep Mussolini, die op 12 september 1943 door de Duitsers uit gevangenschap was bevrijd, de Italiaanse Sociale Republiek uit (gevestigd te Salò), waarin hij terugkeerde tot de extreem socialistische politiek van zijn jonge jaren. Op 29 april 1945 moesten de Duitse legers capituleren; een dag tevoren was Mussolini door verzetsstrijders op de vlucht gegrepen en omgebracht. Italië bleef officieel tot 1 januari 1947 door de geallieerden bezet gebied. Bij de op 10 februari 1947 bekrachtigde vrede verloor het land zijn koloniën en moest het Dalmatië, Fiume, Istrië en een deel van de provincie Venetië aan Joegoslavië afstaan. Griekenland kreeg de Dodekanesos. onder internationaal beheer was gesteld, keerde op 25 oktober 1954 voor het grootste deel naar Italië terug. Met Joegoslavië werd hierover in 1976 een definitief akkoord bereikt. © Emmanuel Buchot en Encarta.
Tilpasset søgning