Geschiedenis van Ierland : Christendom
|
Beelden van Ierland |
Hoewel de eerste christelijke invloeden reeds van de Romeinse tijd dateren, is St. Patrick (Patricius) (ca. 390 – ca. 461) de geschiedenis ingegaan als de verspreider van het christelijk geloof in Ierland. Het christendom werd in korte tijd door grote delen van de bevolking geaccepteerd; de Katholieke Kerk echter kreeg aanvankelijk weinig voet aan de grond en onafhankelijk daarvan ontstonden er gemeenschappen rond kloosters en heilige plaatsen. Vanaf het einde van de 8ste eeuw (795) verschenen de Noormannen ten tonele; zij stichtten een reeks van nederzettingen aan de kust, evenals de eerste steden van Ierland, waaronder Dublin (841). |
In zuidelijke richting maakten zij zich meester van Waterford en Limerick (914–920), die zij samen met Dublin ontwikkelden tot stadstaten, gebaseerd op handelsactiviteiten. De Slag van Clontarf (1014) maakte een einde aan hun expansiezucht, ondanks de verdeeldheid aan Ierse zijde. Deze zelfde verdeeldheid was het, die uiteindelijk de positie van de Katholieke Kerk verstevigde. Een bul, door paus Adrianus IV aan de Engelse koning Hendrik II verleend (1155, Laudabiliter), verschafte deze een motief om zich van Ierland meester te maken. Als pauselijk leen bleef Ierland tot in 1541 aan de Engelse koningen gebonden. De eerste decennia schikten de Ieren zich vrij gemakkelijk naar de nieuwe maatschappelijke orde (de Engelse wetgeving werd ook in Ierland van kracht, er was een koninklijk rechter, justiciarius, en een parlement), maar er rees verzet van de autochtone heersersfamilies in de 13de eeuw, als gevolg van de verzwakte koninklijke macht na de Magna Charta. |
In de 14de eeuw echter begon ook verzet te groeien van de kant van de oude Engelse immigranten tegen de nieuwe heren die bezit hadden zonder zelf ooit maar aanwezig te zijn. Dit gaf aan de Ieren de mogelijkheid zich van grote delen van Ulster, Connaught en Leinster weer meester te maken. Lionel, de hertog van Clarence, aangewezen als onderkoning, trachtte het tij te doen keren: bij de Statuten van Kilkenny (1341) werd elke versmelting van de Ierse en Engelse bevolking verboden. Hierbij werd ook het westen van het eiland opgegeven, als zijnde ‘bezet door Ierse usurpatoren of gedegenereerde Engelsen’ (nl. de oude immigranten). Rechtstreeks gezag werd dus nog slechts uitgeoefend op de zgn. ‘English Pale’, de smalle kuststrook in het oosten. De koninklijke macht was ook beperkt vanwege de dynastieke oorlog die in Engeland zelf aan de gang was. Onder Eduard III had de earl van Kildare haast een koninklijke positie verworven. Nochtans werden de ‘Acts of the Irish estates’ (1460), waarbij Ierland een autonome wetgeving kreeg, herroepen. |
![]() |
koning Hendrik II. |
In 1536–1537 werd ook door het Ierse parlement Hendrik VIII erkend als hoofd van de Kerk van Ierland en de afschaffing der kloosters goedgekeurd. De Ierse leiders werden benaderd om, in ruil voor de erkenning van Hendrik als hoofd van Kerk en Staat, hun gronden ‘rechtsgeldig’ in ontvangst te nemen. Dit leidde in 1541 tot de erkenning door het parlement van Hendrik als ‘koning van Ierland’ en dus niet langer als plaatsvervanger van de paus. © Emmanuel Buchot en Encarta. |
Tilpasset søgning
|