Hongarije

Hongarije in de 20e eeuw

Foto's van Hongarije
5/08/11
Hongarije in de 21ste eeuw

Na de militaire nederlaag van de centrale mogendheden werd op 25 oktober 1918 onder voorzitterschap van graaf Mihály Károlyi, lid van de burgerlijke oppositiepartij, een Nationale Raad gevormd. Koning Karel IV (1916–1918) benoemde Károlyi tot premier, maar het parlement riep op 16 november de Volksrepubliek uit. Károlyi werd tot president gekozen en stelde zijn regering samen uit leden van de voormalige burgerlijke oppositiepartij en uit sociaaldemocraten. Het bewind van Károlyi kwam ten val door toedoen van de Geallieerde Mogendheden die ten gunste van de successiestaten het grootste deel van het Hongaarse grondgebied opeisten. De socialisten gingen hierop met de kort tevoren opgerichte kleine communistische partij een fusie aan. Op 21 maart 1919 werd de radenrepubliek uitgeroepen, waarvan de communisten onder Béla Kun de koers bepaalden. Het Hongaarse Rode Leger leed eind juli 1919 een volkomen nederlaag tegen de Roemenen, waarop de radenrepubliek ineenstortte. Kun en andere rode leiders vluchtten naar Moskou. Nadat de Entente zich tegen het regentschap van aartshertog Jozef von Habsburg had uitgesproken, werd viceadmiraal Miklós Horthy, minister van Defensie van de contrarevolutionaire regering, meester van de situatie. De nationale vergadering, die voortkwam uit de in het begin van 1920 gehouden verkiezingen, waarvan de socialisten werden uitgesloten, herstelde de monarchale regeringsvorm en koos Horthy op 1 maart 1920 tot rijksbestuurder.

Nadat de Geallieerde Mogendheden de Hongaarse wens om volksstemmingen te houden in de door de successiestaten opgeëiste gebieden, had afgewezen, werd Hongarije op 4 juni 1920 de Vrede van Trianon opgelegd, waarbij het tot ongeveer een derde van zijn historisch grondgebied werd gereduceerd. Een derde van de etnisch-Hongaarse bevolking bleef buiten de nieuwe grenzen, 1,7 miljoen Hongaren (m.n. Transsylvanië) kwamen onder Roemeense heerschappij, 1,1 miljoen werden bij Tsjechoslowakije en 0,6 miljoen bij Joegoslavië ingelijfd. Koning Karel IV deed vanuit zijn ballingschap in Zwitserland in 1921 twee pogingen tot een staatsgreep, hetgeen tot gevolg had dat de geallieerden een ultimatum aan de Hongaarse regering richtten, waarin de troonsafstand van het Huis Habsburg binnen een week werd geëist. De desbetreffende wet werd door de nationale vergadering op 5 november 1921 aanvaard.

Het werk van de consolidatie werd onder premier graaf István Betlen (1921–1931) in behoudende geest voltrokken. De kerkelijke leiders kregen een grotere invloed op het bewind dan voordien. De communistische partij bleef verboden, terwijl de sociaaldemocraten zich slechts in de steden mochten organiseren. Verder was de oppositie vertegenwoordigd door de Burgerlijke Radicalen en de Kleine Landbouwers.

De na 1920 doorgevoerde landbouwhervorming bleek onvoldoende te zijn. De industrialisatie werd echter verder doorgevoerd, zodat Hongarije in de tweede helft van de jaren dertig zijn overwegend agrarische karakter had verloren. De uiterst rechts gerichte, bevoorrechte officierskaste vormde de grootste bron van spanningen voor het land. Haar invloed nam onder premier Gyula Gömbös (1932–1936) – zelf een officier – sterk toe.

De buitenlandse politiek was gericht op doorbreking van de isolatie door de Kleine Entente en op revisie van het vredesverdrag om de politieke grenzen beter in overeenstemming te brengen met de etnische verhoudingen. De toenaderingspogingen tot Frankrijk (1920) en tot Joegoslavië (1926) liepen op niets uit.

Gyula Gömbös (1932–1936)
Gyula Gömbös (1932–1936).

Vanaf 1927 kwam een politieke samenwerking met Italië tot stand, die in 1934 bij de Protocollen van Rome tussen Italië, Oostenrijk en Hongarije gestalte kreeg. Het Duitse nationaalsocialisme genoot de sympathie van de uiterst rechtse officieren, alsmede van een niet al te brede laag van antisemitische burgers (zie antisemitisme), die zich in de beweging van de Pijlkruisers organiseerden. Na de dood van Gömbös werd deze beweging bij herhaling verboden verklaard, maar onder Duitse druk weer toegelaten. De Duitse regering was in staat ook zonder rechtstreekse inmenging, nl. via het officierskorps, de Pijlkruisers en de een half miljoen sterke Duitse minderheid, haar invloed in Hongarije te laten gelden. Onder deze druk werden de joden in 1938 en 1939 beperkingen, vnl. op economisch gebied, opgelegd; verder werd de joodse bevolkingsgroep tot de Duitse bezetting in 1944 ongemoeid gelaten.

Tijdens de Tsjechoslowaakse crisis in 1938 (zie Sudetenduitsers) was de houding van de Hongaarse regering onzeker, en zij wekte de ergernis van de Duitsers op. Zij trachtte de grenskwestie door rechtstreekse onderhandelingen op te lossen, maar van Tsjechoslowaakse zijde gaf men de voorkeur aan arbitrage door de As-mogendheden. Bij de scheidsrechterlijke uitspraak van Wenen op 2 november 1938 kreeg Hongarije met Italiaanse steun een landstreek terug waarvan de bevolking voor 90% uit Hongaren bestond. Het etnische argument rechtvaardigde echter niet de Hongaarse bezetting van de Karpato-Oekraïne in maart 1939. "Hongarije," © Schriftelijke door en Encarta

Tilpasset søgning