Griekse Industries
|
Beelden Griekenland |
De meeste industrie is geconcentreerd rond Athene en Thessaloníki. Het kleinbedrijf domineert: 85% van alle bedrijven heeft minder dan vijf werknemers. Samenhangend hiermee is het investeringsniveau per capita laag, hoewel het investeringsvolume in de periode 1995–2000 jaarlijks met 5% toenam. De invloedrijke vakbonden schrikken vooral voor buitenlandse investeerders af. De voornaamste industrieproducten zijn: geconserveerde levensmiddelen, textiel, metaalproducten, huishoudelijke apparaten en schepen. Er zijn enkele grote fabrieken voor de productie van kunstmest, cement, staal en aluminium. Van de vier aardolieraffinaderijen zijn er twee in overheidshanden. |
Veel aftrek bij toeristen vinden voortbrengselen van oude volkskunst, zoals grove tapijten, versierd met op- of ingeweven geometrische motieven, hoofddoeken, geborduurd linnengoed, aardewerk, houtsnijwerk, artikelen van leer en voorwerpen van goudsmeedkunst.
De handelsbalans vertoont een chronisch tekort en bedroeg in 2000 $ 10,5 miljard (import $ 35,7 miljard, export $ 25,2 miljard). De schuld aan het buitenland bedroeg in 1995 $ 48 miljard. Naast de EU (m.n. Duitsland, Italië, Frankrijk en Nederland), goed voor 66% van de import en 49% van de export in 1994, neemt Amerika een prominente plaats in (vooral export). |
De Arabische landen blijven belangrijk vanwege de aardolie-import. Belangrijke importgoederen zijn machines, personen- en vrachtauto's, aardolie en luxeartikelen. Uitgevoerd worden vooral agrarische producten, grondstoffen, kleding, schoeisel en aardolieproducten. Het aandeel van de industrie in de export is gestegen tot 51% (1965: 13%).
Het belangrijkste element in de buitenlandse economische politiek in de jaren zeventig vormde de toenadering tot en integratie in de EG in 1981. Verregaande hervormingen, inherent aan de integratie in de gemeenschappelijke markt, werden in enkele jaren doorgevoerd. |
![]() |
|
Vissen in Griekenland. Beeld Emmanuel Buchot |
Tarieven, kwantitatieve controles en de landbouwpolitiek werden in overeenstemming gebracht met de regelingen die de andere lidstaten al eerder waren overeengekomen. De Griekse economie blijft echter een van de minst ontwikkelde binnen de EG. Ter bevordering van de ontwikkeling en diversificatie van m.n. de landbouw ontvangt Griekenland dan ook grote bedragen uit de regionale ontwikkelingsfondsen (in 1997 naar schatting $ 5,4 miljard). Betalingsbalanshulp is echter gebonden aan strikte economische condities. In het binnenland wordt de nadruk gelegd op de ontwikkeling van de middelgrote steden (o.a. Patras, Volos en in het noorden Xanthi, Kavalla en Alexandroupolis). Hiermee wordt o.a. beoogd de verdere groei van Athene te beperken. In dit kader past ook het verbod nog meer industrieën te vestigen in het bekken van Attica. Bij de industriële ontwikkeling wordt nadruk gelegd op de productie van halffabrikaten. |
Verkeer en toerisme |
Het bergachtige landschap bemoeilijkt de verbetering van de infrastructuur. Het spoorwegnet (lengte in 2001: 2571 km) is slechts gedeeltelijk geëlektrificeerd. Het wegennet is grotendeels geasfalteerd. De scheepvaart levert een aanzienlijk deel van alle deviezen op. Piraeus is de belangrijkste haven, gevolgd door Volos (ferry-verbindingen met Syrische havensteden) en Patras. Door de isthmus van Korinthe loopt een 6 km lang en slechts 8 m diep kanaal (geopend 1893). Athene heeft twee internationale luchthavens (Ellinikon East- en West-Terminal; een nieuwe luchthaven ten oosten van Athene is in voorbereiding) en is tevens centrum voor het nationale luchtverkeer. Van toeristisch belang zijn verder de vliegvelden op Kreta (Chania en Iraklion), Rhodos en Korfoe. |
![]() |
Griekse toeristische dorp. Beeld Emmanuel Buchot |
Olympic Airways onderhoudt naast het binnenlandse luchtverkeer verbindingen met de belangrijkste steden in Europa, het Midden-Oosten en de Verenigde Staten. Emmanuel Buchot en Encarta. Meer infos op landenspecials.nl |
Tilpasset søgning
|