Geschiedenis van Jordanië |
| Foto's van Jordanië |
18/08/11
|
Het ‘Overjordaanse’ of Transjordaanse gebied behoorde eens tot de oudste beschavingen. Muurschilderingen in grotten in de Jordaanvallei tonen aan dat het gebied rond 4300 v.C. reeds sedentaire gemeenschappen kende. Grote semitische migraties vanuit het hart van het Arabisch Schiereiland brachten Kanaänieten (zie Kanaän) naar de Westoever. Zij stichtten er later kleine koninkrijken. In het begin van de 2de eeuw n.C. kwam het gebied bij het Romeinse Rijk. Later regeerden er vazallen van het Byzantijnse Rijk. In de 7de eeuw werd het gebied bij het islamitische rijk ingelijfd; het behoorde achtereenvolgens tot de kaliefenrijken van Damascus en Bagdad. In 1516 ging het deel uitmaken van het Osmaanse Rijk. |
Tijdens de desintegratie van het Osmaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog kwam het gebied sterk in de internationale belangstelling. Het deel van Klein-Azië dat door Arabieren werd bewoond (Masjrik), werd met de Sykes-Picot-overeenkomst op papier tussen Groot-Brittannië en Frankrijk verdeeld. Wat nu Jordanië heet, werd aan Groot-Brittannië toegedacht. Zionisten legden intussen op deze regio een claim ten behoeve van de stichting van een Joods Nationaal Tehuis; deze claim werd met de Britse Balfour-declaratie gehonoreerd. Inmiddels hadden Arabische legers onder leiding van de Britten (Thomas Edward Lawrence, bekend als Lawrence of Arabia) grote delen van het Arabisch Schiereiland op het Osmaanse leger veroverd. |
Er werd een Arabische regering gevormd onder leiding van emir Faisal, zoon van sjarif Hoessein ibn-Ali van Mekka. Begin 1919 riep het Arabische Nationale Congres in Damascus Syrië en Irak tot twee aparte staten uit, hetgeen stuitte op hevig verzet van de Fransen en de zionisten. De Conferentie van San Remo (februari 1919) gaf de Britten het mandaat over Palestina en scheidde het daarmee feitelijk af van Syrië, dat onder Frans mandaat kwam (zie ook mandaatgebieden). Faisal werd vervolgens door de Fransen uit Damascus verdreven (juli 1920). Irak was in Britse handen geraakt; de positie van Transjordanië bleef onduidelijk. Faisals broer Abdoellah, door de lokale heersers in dit gebied binnengehaald als afgevaardigde van zijn vader, de sjarif van Mekka, werd door de Britten erkend als emir van Transjordanië, dat zij in 1922 onttrokken aan het aan de zionisten beloofde Joods Nationaal Tehuis. In 1923 werd Transjordanië door de Britten onafhankelijkheid toegezegd, welke het land in 1928 kreeg, nadat een Arabisch Legioen was gevormd onder leiding van Britse officieren. Britse voogdij bleef bestaan op het gebied van financiën en buitenlandse zaken. Met de snel groeiende stroom zionisten nam de instabiliteit op de Westelijke Jordaanoever intussen snel toe. Het Palestijnse verzet werd sterker en de onrust leek ook Transjordanië aan te tasten. Het doortastend optreden van de Britse majoor John Bagot Glubb (Glubb Pasja), die de |
![]() |
Thomas Edward Lawrence. |
leiding van het Arabische Legioen op zich nam en met de zeer loyale en ervaren bedoeïenensoldaten de basis legde voor het moderne leger van Jordanië, voorkwam het uiteenvallen van de staat.
"Jordanië" © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|