Geomorfologie van Frankrijk
|
Beelden Frankrijk |
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen. Noord- en West-Frankrijk, die deel uitmaken van de West-Europese laagvlakte, worden gekenmerkt door een gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien, grote sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen, evenals oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid- en Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen, variërend van oude massieven met min of meer sterk uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens. De oude massieven: a. het Armorikaans Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), ‘Bocage normand’ (tot 417 m hoog) en de ‘Gâtine vendienne’ (tot 295 m hoog), bestaande uit harde kristallijne gesteenten. b. De Vogezen zijn aanzienlijk hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge kristallijne gebergten. c. Het Massif Central (gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt gebergte met een algemene helling van oost naar west. |
De kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica en de kustmassieven van Maures en Estérel werden door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een vrij chaotisch reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte Cinto, 2710 m) zelfs alpine allures aanneemt. e. De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een klein deel van Noordoost-Frankrijk. De jonge gebergten: a. de Pyreneeën vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m (Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer beperkt zijn. Het gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde kristallijne massieven. De valleien zijn alle loodrecht op de keten. b. Het Franse deel der Alpen vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen. |
De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m). Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c. De Jura bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250 km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt. Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het westen brede kalkplateaus. De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken van Parijs strekt zich uit over een derde deel van Frankrijk. |
![]() |
Geomorfologie van Frankrijk. Beeld E. BUCHOT |
Het werd opgebouwd door een reeks sedimentaire lagen van wisselende hardheid die aanleiding gaf tot plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes) en vlakten. Van het centrum naar de rand toe onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit de Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne, Berry, Campagne de Caen) en, in het oosten, de plateaus uit de Triastijd (Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië omvat, naast de kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord en Quercy ten noorden van de Garonne, de grote door rivieren versneden puinkegel, die zich waaiervormig aan de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan, Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes. |
![]() Aangepast zoeken
|