Zwitserland

Geografie van Zwitserland : Landschap

Foto's van Zwitserland
30/07/11

De landschappelijke indeling van Zwitserland in Jura, Mittelland en Alpen, die resp. een zesde, een derde en de helft van het oppervlak van het land innemen, komt voort uit het geologische karakter.

De Jura vormt een wijde boog van Genève tot Schaffhausen. De binnenste boog, de Keten-Jura, is sterker geplooid dan de buitenste boog, de Tafel-Jura. Rivieren hebben veelal kloofachtige dwarsdalen, cluses, door deze ketens uitgeslepen. Bekend zijn de cluses van de Birs bij Moutier, die 450 m en 600 m diep zijn. De hoogste delen van de Jura liggen in het zuidwesten: Mont Tendre, 1683 m, La Dôle, 1680 m, en Chasseron, 1610 m. Zie verder Jura.

Het Mittelland is een zich van het zuidwesten naar het noordoosten verbredend, sterk geaccidenteerd gebied tussen Jura en Alpen. In het Tertiair werden hier geweldige puinmassa's vanuit het jonge gebergte afgezet (molasse). Ze bestaat in het noordwesten uit fijne zanden, maar aan de voet van de Alpen uit puinwaaiers van de rivieren, nu verkit tot conglomeraten, de Nagelfluh. Doordat deze weerstandskrachtiger zijn en enigszins meegeplooid met de latere fasen van de alpine plooiing is hier een gebied van bergen ontstaan dat men de Vooralpen noemt. Hiertoe behoren o.a. Rochers de Naye (2045 m), Pilatus (2132 m) en Speer (1950 m). Met uitzondering van het Napf Gebergte is het gehele Mittelland door de Pleistocene gletsjers bedekt geweest. De grote gletsjers verenigden zich buiten de Alpen tijdens de glacialen tot een landijskap die zich uitstrekte tot de Jura. Morenenmateriaal en de vorming van talrijke grote en diepe meren getuigen hiervan.

De Alpen vormen een geologisch jong gebergte van zeer samengestelde structuur. Grote gebieden zijn vergletsjerd; totaal is 1950 km2 bedekt met het ijs van 140 gletsjers. De belangrijkste gletsjergebieden zijn: de Walliser Alpen met de Monte Rosa-groep (hier ligt ook het hoogste punt van Zwitserland, de Dufour Spitze, 4634 m), het Berner Oberland met Jungfrau, 4158 m en Finsteraarhorn, 4273 m en de Berninagroep met Piz Bernina, 4049 m. Gletsjers met een lengte van vijf tot tien kilometer komen op veel plaatsen voor, in Valais (Wallis) hebben de Gornergletsjer en de Fieschergletsjer een oppervlakte van resp. 70 en 40 km2. De grootste gletsjer is de Grosse Aletschgletsjer met een oppervlakte van 115 km2. Gletsjers komen vrijwel niet voor onder de 2000 m. Spectaculair is de terugtrekking van de Rhônegletsjer in de laatste eeuw, de eindmorenenwallen zijn tot bij Gletsch duidelijk herkenbaar en voor de toeristen van data voorzien. In de richting van het gebergte lopen grote lengtedalen. De dalvorm is duidelijk glaciaal bepaald. Fraaie voorbeelden van zgn. trogdalen zijn het Boven-Rhônedal (Goms), het Lauterbrunnendal en het dal van de Voor-Rijn.

Matterhorn Zwitserland
Matterhorn Zwitserland
Op vele plaatsen is de trogvorm versluierd door puinwaaiers en bergstortingen. De grote Flimser Sturz in het dal van de Voor-Rijn heeft de Rijn gedwongen zich door het puin over een afstand van 15 km een diepe kloof uit te schuren. In hun lengteprofiel gezien zijn de dalen trapvormig. Door selectieve erosie van het ijs en door extra druk bij samenvloeiing van gletsjers zijn afwisselend bekkens en drempels ontstaan.

In deze drempels zijn soms al onder het ijs nauwe kloofdalen ontstaan. Beroemd is de Aareschlucht in de drempel bij Meiringen, 1500 m lang, 200 m diep en op vele plaatsen slechts 1 m breed. Fraaie voorbeelden van trapbouw zijn te herkennen in het Haslital (Boven-Aare), Val d'Entremont (Drance) en de Schöllenen (Boven-Reuss). De monding van zijdalen in het hoofddal ligt soms duidelijk hoger dan het hoofddal zelf, doordat de kleinere zijgletsjers minder diep uitsleten dan de hoofdgletsjer. Deze zgn. zwevende dalen zijn oorzaak van grote watervallen, zoals de 300 m hoge Staubbachfall in het Lauterbrunnendal of van Schlucht-vorming, zoals de zuidelijke zijdalen van de Rhône vertonen: Visp Tal, Val d'Anniviers en Val d'Hérens. Indrukwekkend zijn de Trümmelbachfälle, een stelsel van zeven watervallen die omlaagstorten in het Lauterbrunnendal.

Gletsjererosie
Gletsjererosie
De meren in de Alpen zijn van glaciale oorsprong, en wel ten gevolge van glaciale erosie. In de meren zijn plaatselijk delta's gevormd. De landstrook Bödeli, waarop Interlaken ligt, is de delta van de Lütschine, die een groot meer heeft verdeeld in het Thuner en het Brienzer Meer. Het Gotthardmassief is het knooppunt van Europese waterscheidingen. Vanhier stroomt de Rijn naar de Noordzee, de Rhône naar de Middellandse Zee, de Ticino via de Po naar de Adriatische Zee en de Inn via de Donau naar de Zwarte Zee. De Rijn is de belangrijkste rivier van Zwitserland, ofschoon zijn economisch aantrekkelijke bevaarbaarheid pas bij de grens, bij Basel, begint. Bij Schaffhausen ligt de grootste waterval van Europa. De voornaamste zijrivier is de Aare die de Limmat, Reuss en Saane als zijrivieren heeft. De belangrijkste rivier in de Jura is de Doubs die bij Le Locle de fraaie waterval, de Saut du Doubs, vormt. De Rhône ontwatert het zuidwesten van Zwitserland. Bij Brig wordt de watermassa verdubbeld door de Massa, de afwatering van de Aletschgletsjer. De Visp, Navigende, Borgne en Dixence brengen het water van de Monte Rosa-groep naar de Rhône en bij Genève komt de Arve vanuit het Mont Blancmassief erin. Het oosten van Zwitserland watert af via de Inn, welke het grote Engadindal vormt, het Landwasser, de Albula en de Julia, welke laatste twee in de Rijn afwateren. In het zuiden stroomt de Ticino door het Lago Maggiore. Alle Alpenrivieren stromen door grote meren; hierdoor wordt de waterstand gereguleerd en de rivier van puin en slib gezuiverd. De Zwitserse rivieren lenen zich uitstekend voor de aanleg van waterkrachtwerken. De grote werken in het Haslidal zijn hiervan een voorbeeld. De hoogste stuwdammen zijn de 284 m hoge Barrage de la Grande Dixence (Val d’Hérémence) en de 237 m hoge Barrage de Mauvoisin (Val de Bagnes). "Zwitserland" © Schriftelijke door en Encarta.
Tilpasset søgning