Geografie van Italië: het landschap en de geologie
|
Foto's Italië |
Italië bestaat uit vier landschappen: het Alpengebied, de Povlakte, het Apennijns schiereiland en de eilanden. Het Alpengebied omvat geheel Noord-Italië met een wijde boog (900 km lang en 150–220 km breed), die begint met de Ligurische Alpen en zich tot de Italiaans-Sloveense grens voortzet. Met enkele uitzonderingen volgt de grens van Italië, met resp. Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk, de hoofdkam van de Alpen. Een aantal passen maakt van oudsher het verkeer met de landen ten noorden van de Alpen mogelijk. De Povlakte is een door de Alpenrivieren geleidelijk met alluviaal materiaal opgevulde, zich naar het oosten toe verwijdende vlakte, ca. 500 km lang, zeer vruchtbaar en door de Po en haar talrijke zijrivieren bevloeid. In dit gebied treden herhaaldelijk overstromingen op. |
Het Apennijns schiereiland, dat een opmerkelijke vorm heeft die enigermate aan een kaplaars doet denken, heeft als ruggengraat het Apennijnengebergte, een zijtak van de Alpen. Sicilië en Sardinië zijn de grootste eilanden. Kleinere eilanden zijn o.m. Elba, de vulkanische Liparische eilanden (met de vulkaan Stromboli), Ischia en Capri. Het Apennijns schiereiland en Sicilië zijn gebieden van tektonische onrust in verband met de breukrand van de grote dalingsgebieden van de Middellandse Zee. Van vulkanisme getuigen o.a. de Vesuvius bij Napels, Etna op Sicilië, talrijke zwavel- (solfataren), gas- (fumarolen) en koolzuurbronnen (mofetten) en slijkvulkanen. |
Rivieren en meren |
De Italiaanse meren zijn gedeeltelijk van het Alpentype (voormalige tongbekkens van gletsjers: Lago di Garda, Lago di Como, Lago Maggiore), gedeeltelijk ontstaan uit oude kraters (Lago di Vico, Lago di Bolsena e.a.), gedeeltelijk (vermoedelijke) overblijfselen van een pliocene zeestraat (Lago Trasimeno en de kleine meren van Montepulciano en Chiusi). De Po voert met talrijke zijrivieren (Dora Riparia, Dora Baltea, Ticino, Adda, Oglio, Mincio) het water van het Alpengebied af, met andere (Tanaro, Trebbia, Nure, Taro, Parma, Enza, Secchia) het water uit de Apennijnen; de brede delta schuift door afzetting van slib steeds verder de Adriatische Zee in. Een deel van het uit het Alpengebied afkomstige water vloeit ondergronds af; in de Povlakte treedt het in talrijke bronnen (fontanili) te voorschijn. |
![]() |
rivier in Italië. Beeld E. Buchot |
De van de Apennijnen naar de Adriatische Zee afstromende rivieren zijn meestal kort en hebben een zeer onregelmatige waterstand; de grotere rivieren Arno, Ombrone, Tiber, Garigliano en Volturno monden alle in de Tyrrheense Zee uit. |
De geologische bouw van Italië wordt in belangrijke mate beheerst door de Apennijnen. In de Zuid-Alpen, in Calabrië en op Sardinië vindt men gesteenten, vnl. kristallijne schisten en granieten, behorend tot het variscisch orogeen. Op dit grondgebergte ontwikkelde zich een geosynclinale. De dikte van de daarin tijdens het Mesozoïcum afgezette gesteenten is hier vrij gering (3000–4000 m). Tijdens de Trias en Jura vormden zich veel evaporieten, kalken en dolomieten, terwijl het Krijt gekenmerkt is door veel vulkanische gesteenten, serpentinieten en radiolarieten. In het Oligoceen vond een belangrijke sedimentatie plaats van gegradeerde zandstenen, een zgn. Flysch-afzetting. De tektoniek van de Apennijnen is zeer gecompliceerd door de aanwezigheid van vele incompetente gesteenten, die aanleiding gaven tot |
![]() |
Top van de Monte Rosa Italie. |
veel chaotische structuren. De plooiing vond plaats in het Tertiair, gedeeltelijk reeds in het Eoceen, gedeeltelijk in het Mioceen. De jongste geschiedenis is gekenmerkt door een belangrijke jong-tertiaire en kwartaire sedimentatie in de Povlakte en het recente vulkanisme, zoals dat van de Vesuvius, Etna en Stromboli. De belangrijke seismische activiteit in Zuid-Italië wijst op het voortduren van tektonische bewegingen. © Emmanuel Buchot en Encarta. |
Tilpasset søgning
|