Spanje : Het franquistische Spanje (1939–1975)
|
Beelden Spanje |
Tot zijn dood regeerde Franco als alleenheerser over Spanje, gesteund door de enige toegestane politieke beweging, de Falange, waarin hij tijdens de burgeroorlog alle rechtse krachten had samengebracht en onder zijn leiding had gesteld. Het leger en de kerk, die het onderwijs en de cultuur in het algemeen beheersten, waren twee andere steunpilaren. Het franquistisch ideaal was gericht op herleving van het katholieke Spanje en zijn oude glorie. Een Spanje ‘Eén, groot, vrij’, waarbij vrij betekende: ontdaan van alle invloeden en krachten – Hervorming, Verlichting, Franse Revolutie, socialisme en democratie – welke in de ogen van Franco en de zijnen van buitenaf en met behulp van binnenlandse vijanden Spanjes oude glorie ondermijnd hadden. Repressie bleef dan ook een wezenlijk kenmerk van het regime en trof o.a. de arbeidersbewegingen, Basken en Catalanen. Het sociaaleconomisch leven werd beheerst door verticaal georganiseerde syndicaten, naar fascistischcorporatief model. |
Het dagelijks leven werd lange tijd gekenmerkt door armoede, honger, corruptie (zwarte markt), economische stagnatie en cynisme. Pas na 1956 bereikte Spanje weer het economisch peil van 1936. Illegale organisaties – aanvankelijk ook guerrillero's – waren lang actief maar konden, evenmin als de ballingen, het regime serieus bedreigen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde Franco de verwante, maar niet identieke, regimes van Hitler en Mussolini, aan wie hij zijn overwinning in de burgeroorlog mede te danken had. Hij bleef echter buiten de oorlog; wel werd Tanger in 1940 bezet en nam een vrijwilligersleger van 47 000 man (de Blauwe Divisie) deel aan de strijd tegen de Sovjet-Unie. Na 1945 kwam Spanje in een isolement. Het bewind werd door de Verenigde Naties veroordeeld, maar profiteerde van de Koude Oorlog. |
Franco had reeds in 1943 zijn profascistische zwager Serrano Suñer als minister van Buitenlandse Zaken vervangen door de monarchist Jordana en hij herstelde in 1947 formeel de monarchie, zonder overigens direct een koning te benoemen. Pas in 1969 werd Juan Carlos de Bourbon, een kleinzoon van Alfons XIII en opgevoed onder toezicht van Franco, met voorbijgaan van zijn vader, de pretendent Don Juan, door Franco tot zijn opvolger aangewezen. Militaire en economische verdragen met de Verenigde Staten in 1953 haalden het land uit het economische dal. Spanje werd in 1955 aanvaard als lid van de Verenigde Naties en trad in 1959 toe tot de OEES, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, de voorloper van de OESO. Franco’s regime bleef echter het stigma van de Spaanse Burgeroorlog en het fascisme behouden en werd nooit volledig aanvaard in Europa. Spanje gaf, niet zonder pijn maar wel zonder veel strijd, zijn koloniën op: Marokko in 1956, Spaans Guinea (Equatoriaal Guinee) in 1968 en Spaans Sahara (Westelijke Sahara) in 1975. In de jaren zestig kwam een moderniseringsproces op gang dat de Spaanse samenleving grondig veranderde en het regime ondermijnde. Buitenlands kapitaal, toerisme en Spaanse gastarbeiders leidden tot een snelle economische ontwikkeling. Industrialisatie en urbanisatie namen sterk toe. De Falange (nu Beweging genoemd) en het systeem van de verticale syndicaten werden volledig uitgehold. Met de ‘consumptiemaatschappij’ drongen Amerikaanse en Europese waarden en normen het land binnen. |
![]() |
Franco |
Binnen het regime werd deze ontwikkeling gesteund en gedragen door een jonge en technocratisch ingestelde generatie, waartoe Fraga Iribarne en Lopez Bravo behoorden, die naar liberalisering binnen de beperkingen van het systeem streefden. Leden van de rooms-katholieke lekenorganisatie Opus Dei die deze modernisering van het autoritaire regime steunden, bezetten de belangrijkste economische regeringsposten. Nieuwe oppositiebewegingen kwamen op, o.a. de Comisiones Obreros (arbeiderscommissies), die in het schemergebied van legaal en illegaal opereerde en na Franco's dood na de socialistische UGT de belangrijkste vakbeweging zou worden. Het Catalaanse nationalisme herleefde en in het Baskenland ontstond een nieuwe bevrijdingsbeweging, de ETA (zie ook separatisme). Tegen de ETA en andere terreurgroepen (zie terrorisme) trad het regime zeer hard op. In 1973 werd premier L. Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij een aanslag van de ETA. Op 20 november 1975 overleed Franco. Emmanuel Buchot en Encarta. |
![]() |
Generaal Franco |
![]() Aangepast zoeken
|