Frankrijk in de 20e eeuw
|
Beelden Frankrijk |
Na de oorlog was de wederopbouw van het door zware demografische en economische verliezen onttakelde Frankrijk een eerste vereiste. Het politieke leven werd voorts beheerst door de verhouding tot Duitsland. Het land werd voorlopig geregeerd door een rechts georiënteerde Nationale Unie, die al direct met een stakingsgolf werd geconfronteerd. Briand poogde door toenadering tot het gematigde Britse standpunt de kwestie van de herstelbetalingen te regelen (Conferentie van Cannes, januari 1922), maar werd door de nationalistische Poincaré ten val gebracht. Deze trachtte met geweld, door de eenzijdige bezetting van het Ruhrgebied (januari 1923), een oplossing te forceren. De verkoeling van de betrekkingen met Groot-Brittannië werd nog sterker, toen in de Grieks-Turkse Oorlog Frankrijk Turkije steunde, terwijl Groot-Brittannië achter Griekenland stond. Ondertussen had Frankrijk zich een reeks continentale bondgenoten gezocht: België (1921), Polen (1924) en de Kleine Entente (Tsjechoslowakije, Joegoslavië en Roemenië). De verkiezingsoverwinning van het radicaal-socialistisch kartel in 1924 verloochende de Ruhr-politiek van Poincaré, zocht toenadering tot Groot-Brittannië en aanvaardde het Dawesplan voor de herstelbetalingen. |
Briand verhoogde het internationale prestige door het Pact van Locarno (1925) en het Briand-Kellogg-verdrag (1928). De financiële moeilijkheden en de inflatie namen dreigende vormen aan tot Poincaré er in 1928 in slaagde de franc op een vijfde van zijn vroegere waarde te stabiliseren. Ook had men te kampen met opstanden in Marokko en Syrië. Vóór de verkiezingen van 1928 viel de Nationale Unie uiteen. Tardieus strenge politiek tegen Duitsland (1932) ondervond Britse kritiek en verbitterde Duitsland. Zo was Frankrijk weer op zijn continentale bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginotlinie) aangewezen. De verkiezingen van 1932 brachten opnieuw een linkse overwinning, maar de financiële moeilijkheden, de economische achteruitgang en de kritiek op het parlementaire stelsel maakten een stabiele regering onmogelijk. |
Parijs zelf was het toneel van straatgevechten, waarbij zowel royalistische en fascistische als communistische groepen betrokken waren. Doumergue vormde daarop een kabinet van nationale concentratie met Pétain en Barthou (februari 1934). Deze laatste spande zich in om het Franse alliantiesysteem te verstevigen. Met de Kleine Entente, de Sovjet-Unie die hij in de Volkenbond bracht, en wellicht ook met Italië hoopte hij Hitler-Duitsland te isoleren, vooral daar Polen zijn pro-Franse politiek had opgegeven. Bij zijn poging tot verzoening van Joegoslavië en Italië werd hij vermoord (9 oktober 1934). In de daaropvolgende maand nam premier Doumergue ontslag, daar zijn grondwetsherziening ter versteviging van het uitvoerend gezag verworpen werd. De deflatiepolitiek van zijn opvolger Laval was bij de massa uiterst onpopulair. Op 14 juli 1935 vormde zich een eenheidsfront van communisten, socialisten en radicalen, die zich ook in demonstraties keerden tegen de sterke fascistische stromingen (zie fascisme). De val van Laval (22 januari 1936) was echter ook te wijten aan de voortzetting van de buitenlandse politiek van Barthou. Reeds als minister van Buitenlandse Zaken had hij met Mussolini het |
![]() |
Frankrijk in de 20e eeuw. |
Verdrag van Rome (januari 1935) gesloten. In februari 1936 werd het reeds in mei 1935 gesloten Frans-Russisch Verdrag ondertekend. De daaropvolgende bezetting van het Rijnland door de Duitse troepen (7 maart 1936) en de opzegging van de Locarno-verdragen moesten onbeantwoord blijven bij gebrek aan Engelse steun. |
De volksfront-regering van Léon Blum, in juni 1936 aan de macht gekomen, voerde sociale verbeteringen door die echter een enorme kapitaalvlucht en een sterke inflatie tot gevolg hadden. Geheel in de lijn van haar programma stelde de regering de Banque de France en de wapenindustrie onder toezicht en trad op tegen de fascistische groeperingen. Uit vrees voor een wereldoorlog voerde Blum echter, gesteund door Engeland, een politiek van non-interventie in de Spaanse Burgeroorlog. Het radicale kabinet-Daladier (10 april 1938) sloeg zelfs een tegengestelde richting in. De scherpe deflatiepolitiek lokte stakingen uit, maar verbeterde de economische toestand. In de internationale politiek liet men zich verder door Groot-Brittannië leiden. De oude Franse bondgenoot Tsjechoslowakije werd op de Conferentie van München (september 1938) prijsgegeven. Tegen de aanspraken van Mussolini in de Middellandse Zee zette Daladier zich echter schrap en erkende zelfs de regering van Franco in dat verband. Na de flagrante schending van het akkoord van München gaven beide landen garanties aan de Balkanstaten en Polen. Pogingen het Frans-Russisch Verdrag te verstevigen stuitten op het tot stand komen van het Duits-Russisch non-agressiepact (augustus 1939). |
![]() Aangepast zoeken
|