Engeland : Regionaal bestuur
|
Beelden Engeland |
De onderdelen van het Verenigd Koninkrijk –- met uitzondering van Engeland – kregen in 1999 eigen volksvertegenwoordigingen. Daarvoor al hadden zij – ook politiek en staatsrechtelijk – een eigen identiteit. In Noord-Ierland, dat sedert 1920 een zekere vorm van autonomie kent (o.m. een eigen parlement), werden de mogelijkheden tot uitoefening daarvan echter door de burgeroorlog beperkt tussen 1972 en 1982. In die periode stelde Londen via een minister voor Noord-Ierland direct bestuur in. Op grond van de in 1982 aangenomen Northern Ireland Act werd in oktober 1982 een nieuw parlement gekozen (‘Northern Ireland Assembly’), dat geen werkelijke machtsbevoegdheden had maar vnl. raadgevende taken uitoefende. Daar het parlement niet in zijn opdracht slaagde – nl. voorstellen te doen betreffende de overdracht van meer bevoegdheden, die op brede steun binnen de gemeenschap konden rekenen – werd het in juni 1986 ontbonden. Tot juli 1998 had Noord-Ierland alleen stem via de 17 afgevaardigden in het Westminster-parlement in Londen. |
Na de verkiezingen van 25 juni 1998, voortgekomen uit het Goede Vrijdag Akkoord, werd de Assembly weer geïnstalleerd. Het kent beperkte bevoegdheden. Schotland en Wales hebben sinds 1999 beperkt zelfbestuur, waarbij het Schotse parlement te Edinburgh meer bevoegdheden heeft dan de Assemblée in Cardiff. Beide hebben zeggenschap over landbouw, economie, onderwijs en volkshuisvesting; het Schotse parlement heeft daarnaast bevoegdheden op het gebied van gezondheidszorg en milieu, en heeft de vrijheid om binnen een bepaalde marge af te wijken van het landelijke inkomstenbelastingspercentage. |
![]() Aangepast zoeken
|