Duitsland
Duitsland : Rheno-Hercynicum
Beelden Duitsland

In het Rheno-Hercynicum, omvattende Leisteengebergte, Taunus, Hunsrück, Ardennen en Harz, vond een zeer belangrijke sedimentatie plaats tijdens het Devoon. Plaatselijk, in het Lahn-Dill-gebied en in de Harz, kwam het tot geosynclinaal magmatisme. De plooiing in deze gebieden was eveneens zeer intensief en gaf dikwijls aanleiding tot de vorming van leien. De Ardennen sluiten zich bij het Leisteengebergte aan. Graniet komt in de Rheno-hercynische zone bijna niet voor; er zijn slechts twee lichamen in de Harz, een daarvan is de Brockengraniet.

Noordelijk van deze zone ligt het subhercynische voordiep, waarin voornamelijk carbonische sedimenten werden afgezet, die slechts betrekkelijk zwak geplooid werden. De kolenbekkens van de Ruhr en van Zuid-Limburg behoren tot dit voordiep. In het variscische gebergte vindt men van zuid naar noord een duidelijke ontwikkeling, waarbij de metamorfose, de plooiingsintensiteit en de hoeveelheid intrusieve granieten afnemen.

Bovendien vindt de plooiing in noordelijke richting steeds later plaats. Is in het Moldanubicum de plooiing voor-tot-vroeg-carbonisch, in de Saxo-Thuringische en Rheno-hercynische zone is deze midden-carbonisch en in het voordiep laat-carbonisch.

Aan het eind van het Carboon werden de meeste van deze gebieden door erosie genivelleerd, waarbij op vele plaatsen de kristallijne gesteenten aan de dag kwamen. Discordant (zie discordantie) op de variscische gesteenten werd het Perm, meestal bestaand uit zandstenen met zoutlagen, of direct de Trias beginnend met de bontzandsteen afgezet. Daarop volgt de Muschelkalk, de Keuper en de Jura. In een groot gebied tussen het Boheems Massief en het Zwarte Woud zijn deze gesteenten ontsloten, en wel de Jura in de Schwäbische Alb en Fränkische Alb, en de Trias in het Schwäbische en Fränkische terrassenland.

De Trias strekt zich verder uit via de Spessart tot het Hessische bergland en het Thüringer bekken.

Krijtafzettingen komen voor ten noorden van de Harz en ten oosten van het Ertsgebergte. Tertiaire gesteenten komen voor in de Molasstrog ten zuiden van de Schwäbische en Fränkische Alb. Hierin werden afbraakproducten van de Alpen afgezet. Ten zuiden van de Molasse ligt eerst een smalle strook Krijt en Tertiair, die tot de Helvetische zone behoren, en dan (voornamelijk in Oostenrijk) een brede strook Trias en Jura in de noordelijke Kalkalpen, die tot de oostalpine dekbladen behoren. Uitgezonderd dit gedeelte van de Alpen, is het Mesozoïcum in Duitsland slechts zwak geplooid, in sterke tegenstelling tot de paleozoïsche sedimenten. Eerstgenoemde zijn germanotype, laatstgenoemde alpinotype geplooid.

Duitsland
Duitsland.
Het noordelijk deel van Duitsland wordt geheel bedekt door afzettingen van tertiaire en kwartaire ouderdom: de Noord-Duitse Laagvlakte.
Hierin zijn verscheidene moreneruggen van de kwartaire ijstijden te herkennen. In Noordwest-Duitsland komen in de ondergrond veel zoutdomes voor. Andere jonge structuren zijn grote slenken, waarvan de Boven-Rijndalslenk tussen de Vogezen en het Zwarte Woud de meest bekende is. Deze 300 km lange slenk ontstond voornamelijk tijdens het Tertiair en Kwartair. Noordwaarts zet deze slenk zich voort in de Hessische slenk. Noordelijk van het Leisteengebergte ligt de Beneden-Rijndalslenk, die tot in Nederland doorloopt. In deze slenken komt dikwijls een jong vulkanisme voor, waarvan de Kaiserstuhl in de Boven-Rijndalslenk en de Vogelsberg in de Hessische slenk getuigen zijn. Tertiaire vulkanische gesteenten die niet aan deze slenken gebonden zijn, bevinden zich in de Eifel, waar o.a. oude kraterpijpen voorkomen, die nu dikwijls meertjes bevatten, de maren.
Aangepast zoeken