Duitsland : De periode 1949–1990 : Binnenlandse politiek
|
Beelden Duitsland |
Bij de eerste verkiezingen voor de Bondsdag, die op de dag van het van kracht worden van de grondwet werden gehouden, behaalde de CDU 149 zetels, de SPD 131, de FDP 52, de (conservatieve) Deutsche Partei (DP) 17 en de overige groepen 53. Als eerste president werd 12 september 1949 gekozen Theodor Heuss (FDP); hij werd in 1954 herkozen. Bondskanselier werd 15 september 1949 Konrad Adenauer (CDU), die in 1953, 1957 en 1961 werd herkozen. Er werd een coalitieregering gevormd van CDU, FDP en DP. De binnenlandse politieke verhoudingen werden sterk beïnvloed door de koers die de regering-Adenauer insloeg inzake het achterstellen van de hereniging met de DDR bij de oriëntering op het Westen. De door K. Schumacher geleide socialisten, sedert 1955 ook de liberalen en de (van 1953 tot 1957 in de Bondsdag vertegenwoordigde) Vluchtelingenpartij wilden de hereniging primair stellen en daaraan de buitenlandse politiek ondergeschikt maken. Deze oppositie kon niet verhinderen, dat de CDU, de partij van Adenauer, die een sterk persoonlijk stempel op de regering drukte, zowel in 1953 als in 1957 een grote overwinning behaalde. In 1953 werd een coalitieregering gevormd van CDU, FDP, DP en Vluchtelingenpartij; de coalitie kreeg in de Bondsdag en eveneens in de Bondsraad een tweederde meerderheid. |
In 1955 trad de Vluchtelingenpartij uit de regering; in 1956 volgden de liberalen, waarbij een scheuring in de FDP optrad. De oppositie had echter wel succes bij de verkiezing van vertegenwoordigers in de Länder, waar de socialisten vooruitgang boekten ten koste van de regeringspartijen. De sterke economische vooruitgang, het Wirtschaftswunder (waarvoor vooral minister van Economische Zaken Ludwig Erhard verantwoordelijk was), leidde tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders dat in 1959 de SPD haar programma in burgerlijke richting wijzigde. De grootste tegenstellingen in de binnenlandse politiek bleven de buitenlandse politiek betreffen. |
Bij de verkiezingen in 1961 behaalde de CDU weliswaar haar vierde overwinning, maar zij bezat geen overtuigende meerderheid meer ten gevolge van o.a. interne conflicten. Adenauer moest de FDP als coalitiepartner in de regering opnemen. Ondanks het verzet van Adenauer tegen de nominatie van Erhard als zijn opvolger en zijn pogingen om zijn ambtstermijn steeds weer te prolongeren, werd Adenauer in oktober 1963 door Erhard vervangen. Bij de verkiezingen in september 1965 wist de CDU opnieuw de SPD en haar kandidaat Willy Brandt duidelijk te verslaan. Erhard vormde met de FDP een nieuw coalitiekabinet. |
Ondanks de verkiezingsoverwinning der CDU slaagde Erhard er niet in voldoende prestige als regeringsleider te verwerven. Toen op 27 oktober 1966 de FDP-ministers zich terugtrokken naar aanleiding van een geschil over de begroting, was zijn lot bezegeld. Op verzoek van zijn eigen partij trad Erhard af. Zijn partijgenoot Kurt Georg Kiesinger werd 1 december 1966 als zijn opvolger tot kanselier gekozen. Deze vormde een coalitiekabinet met de SPD, waarvan de leider, Brandt, vicekanselier en minister van Buitenlandse Zaken werd. Deze Grote Coalitie zag kans de economische recessie van 1966 ongedaan te maken en een zeker herstel te bewerkstelligen. Toch waren er wrijvingspunten tussen de coalitiepartners, met name op het gebied van de buitenlandse politiek. In 1969 zorgde een kleine overwinning van de SPD bij de Bondsdagverkiezingen er dan ook voor dat de Grote Coalitie uiteen viel. De SPD vormde samen met de FDP een nieuwe coalitie onder leiding van Willy Brandt als kanselier, die na vervroegde verkiezingen op 19 november 1972 kon worden voortgezet. Na een spionageschandaal, waarbij een medewerker van hem was betrokken, trad Brandt in mei 1974 terug als bondskanselier. Hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt. Ook na de verkiezingen van 1976 werd de SPD-FDP-coalitie, hoewel iets verzwakt, voortgezet. Sinds de aardoliecrisis van 1973 werd de werkloosheid een belangrijk probleem, evenals het financieren van de sociale wetgeving en de toekomstige energievoorziening. |
![]() |
Helmut Schmidt. |
Een nieuw probleem was destijds het terrorisme, waarvoor de Baader-Meinhofgroep of Rote Armee Fraktion (RAF), die na de onrustige jaren zestig aan de universiteiten van de Bondsrepubliek was ontstaan, welhaast synoniem werd. Kritiek werd echter geleverd op hun berechting, de wijze waarop ze werden behandeld en de zgn. antiterrorismewetgeving. Veel aandacht kregen de Berufsverbote, steunend op het van 1972 tot 1978 geldende Radikalenerlass, een antecedentenonderzoek waaraan de overheid sollicitanten naar een ambtelijke functie onderwierp met het doel politiek radicaal denkenden uit te sluiten. In de loop van de jaren zeventig is ook de invloed van milieuactiegroepen merkbaar geworden. Na zich bij lokale verkiezingen politiek te hebben gepresenteerd op de Grüne Liste, waarmee ze de FDP en de SPD electorale schade berokkenden, besloten de Grünen, een conglomeraat van o.m. milieubeschermers, tegenstanders van kernenergie en van economische groei, en sociale utopisten, zich begin 1980 aaneen te sluiten tot een politieke partij, de Grüne Partei. De sociaalliberale coalitie ging inmiddels duidelijke tekenen van slijtage vertonen. |
![]() |
Willy Brandt. |
In de Bondsdagverkiezingen van 1980 behaalde zij nog een comfortabele meerderheid (271 zetels van de 497), maar dit was vooral te danken aan het feit dat de door velen gevreesde Franz Josef Strauss lijsttrekker was van de christendemocraten (CDU/CSU). Daarna was de rek er echter uit. Meningsverschillen over het te voeren economische beleid en de problemen van bondskanselier Schmidt met zijn achterban, die meer naar links wilde opschuiven om de concurrentie van de Grünen af te weren, leidden in de zomer van 1982 tot de breuk van de coalitie. Door snel met de christendemocraten een akkoord te treffen, voltrok Hans-Dietrich Genscher de ‘Wende’ en bracht Schmidt ten val, waarna CDU-voorman Helmut Kohl een nieuwe regering vormde. |
In maart 1983 vonden in de Bondsrepubliek vervroegde verkiezingen plaats, die de christendemocraten winst en de FDP en SPD verlies opleverden; de milieupartij Grünen slaagde erin om als vierde fractie in de Bondsdag te komen (27 zetels). De centrumrechtse coalitie Kohl-Genscher bleef aan de macht. Een duidelijke verrechtsing van het regeringsbeleid bleef evenwel uit. Met de nieuwe president Richard von Weizsäcker, die in 1984 Karl Carstens (CDU) opvolgde, kreeg de Bondsrepubliek een staatshoofd met een uitzonderlijk staatkundig en moreel gezag. Voor bondskanselier Kohl, die internationaal veel minder meetelde dan zijn voorganger en door tal van misstappen voor tijdelijke opwinding zorgde, betekende het presidentschap van Von Weizsäcker een onmiskenbare ruggensteun. De Grünen wisten ondanks hardnekkige kinderziektes en de twisten tussen de Fundis en Realos, in de Bondsdagverkiezingen van 1987 hun parlementaire positie te bestendigen. De partij bleef in het linkse kamp voor de SPD een hinderlijke mededinger. Aan de rechterzijde leek de opkomst van de rechtsradicale Republikaner onder leiding van Franz Schönhuber eind jaren tachtig een bedreiging voor de christendemocraten. Extremistische tendensen maakten deze partij tot een verzamelplaats van rechtsradicalen en deden haar in de opiniepeilingen weer duidelijk onder de 5%-grens zakken. |
![]() |
Karl Carstens. |
De ontwikkelingen in de late zomer van 1989 in en rond de Duitse Democratische Republiek (DDR), die tot de val van het communistische regime aldaar zouden leiden, gaven de christendemocratisch-liberale samenwerking een nieuwe stimulans. De ferme houding van bondskanselier Kohl, die van het eerste begin op een snelle staatkundige samensmelting van beide Duitslanden aanstuurde, vond veel meer weerklank aan beide zijden van de grens dan de linkse oppositie zich had voorgesteld. De Grünen, die het meest voor het voortbestaan van de DDR geporteerd waren, moesten bakzeil halen. In de SPD, waar de voorstanders van een graduele confederatieve aansluiting aanvankelijk in de meerderheid waren, deden zich ernstige meningsverschillen voor tussen Brandt, Hans-Jochen Vogel en de eigenzinnige aankomende lijsttrekker Oskar Lafontaine. |
![]() Aangepast zoeken
|