Duitse geschiedenis : Het Duitse Rijk in de middeleeuwen
|
Beelden Duitsland |
Het ontstaan van het Duitse Rijk gaat terug op het Verdrag van Verdun (10 augustus 843) en het Verdrag van Meerssen (8 augustus 870). Te Verdun werd het Frankische Rijk verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome: Lotharius, de oudste, verkreeg, behalve de keizerskroon en de twee hoofdsteden Rome en Aken, Italië, de Provence en een lange strook van Bourgondië over Lotharingen en Brabant naar Friesland; Karel de Kale kreeg het westen (het oude Gallia); Lodewijk de Duitser het oosten met Speyer, Mainz en Worms op de linkeroever van de Rijn. Bij de dood van Lotharius (855) werd zijn rijk verdeeld onder zijn drie zonen: Lodewijk II kreeg Italië met de keizerskroon; Karel ontving het zuidelijk deel van de zich van de Middellandse Zee tot de Noordzee uitstrekkende middenzone en Lotharius II het noordelijk deel daarvan. De grens tussen beide delen werd gevormd door het Plateau van Langres. Dit noordelijk deel kreeg de naam van zijn heerser: Lotharingen (Regnum Lotharii). Na de dood van Lotharius II werd zijn rijk verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser (Verdrag van Meerssen, 870). |
De grens tussen het Franse en het Duitse Rijk kwam hierbij ongeveer samen te vallen met de loop van Saône en Maas. In 880 kwam Lotharingen geheel aan Lodewijk de Jonge (zie Oost-Frankische Rijk), zoon en opvolger van Lodewijk de Duitser. De Schelde werd toen grensstroom; vele eeuwen bleef dit zo. Wegens de strijd tussen de Karolingische troonpretendenten en door de groeiende macht van de stamhertogen had het keizerlijk gezag weinig te betekenen. Na Lodewijk het Kind (900–911), de laatste Duitse Karolingische koning, schonken de rijksgroten de kroon aan de hertog van Frankenland, Koenraad I (911–918). Met diens opvolger Hendrik I (919–936) begint de grote tijd van het Duitse Rijk (919–1250). Achtereenvolgens behoorden de koningen tot het Saksische Huis (919–1024), het Salische Huis (1024–1125) en het Huis der Hohenstaufen (1138–1254). |
De meeste van hen waren behalve Duits koning ook keizer. De politiek van de Duitse koningen was drievoudig: a. de strijd tot herstel, behoud of uitbreiding van de centrale keizerlijke macht tegen het streven naar onafhankelijkheid van de rijksgroten; b. de strijd tot behoud of uitbreiding van het rijksgebied in het oosten over de Elbe; c. bovenal de strijd om Italië, met daaraan vastgeknoopt de strijd tegen de pausen om de heerschappij over de kerk, met als hoogtepunt: de Investituurstrijd. De grootste keizers waren Otto I de Grote (936–973), die in 962 als eerste niet-Karolingische Duitse koning de keizerskroon verwierf, Koenraad II (1024–1039), Hendrik III (1039–1056), Hendrik IV (1056–1106), Hendrik V (1106–1125), Frederik I (1152–1190), Hendrik VI (1190–1197) en Frederik II (1212–1250). Otto I slaagde erin zijn gezag te vestigen en uit te breiden, zowel ten aanzien van wereldlijke rijksvorsten als van pausen en bisschoppen. Sedertdien werd het gewoonte te spreken van het Duitse Rijk of het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Tijdens de regeringen van Hendrik IV en zijn opvolgers woedde de Investituurstrijd. Deze eindigde met het Concordaat van Worms (1122), waarbij de keuze van de bisschoppen aan de geestelijkheid werd overgedragen. Onder Frederik I beleefde de koninklijke macht een hoogtepunt. |
![]() |
Frederik II. |
In 1254 (dood van Koenraad IV) brak een tijd van anarchie aan, het Interregnum. In oktober 1273 kozen de keurvorsten Rudolf van Habsburg (1273–1291) tot koning. Gedurende ongeveer anderhalve eeuw was de keizer de speelbal van de keurvorsten. Duitsland werd een federatie, bestaande uit grote vorstendommen, honderden heerlijkheden en een aantal vrije steden. Het keizerlijk gezag werd slechts dan erkend, wanneer de keizer een grote persoonlijke macht bezat. Met Albrecht II (1438–1439) kwam de Duitse kroon definitief aan de Habsburgers. Zijn eerste opvolgers waren Frederik III, Maximiliaan I (sedert wie de Duitse koningen automatisch de keizerstitel voerden) en Karel V. |
![]() Aangepast zoeken
|