Chinese economie
|
Foto's van China |
China is van oudsher een arm land. Het inkomen per hoofd van de bevolking werd in 1952 op $ 57 geschat en het is waarschijnlijk dat gedurende eeuwen het levenspeil rondom dit niveau heeft geschommeld. Voor 2001 werd het nationaal product per hoofd op $ 840 geraamd. De individuele consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn met een belangrijk deel van de besparingen de collectieve voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.) gefinancierd. China is nog steeds een overwegend agrarisch land; naar schatting (1993) werkt ca. 61% van de beroepsbevolking in de landbouw en ca. 39% in industrie, handel, transport en bij het bestuur. Een hoog ontwikkelde huisnijverheid en een kleine industrie, met eenvoudige middelen bedreven, behoren tot het traditionele systeem. In de 19de eeuw begon een zekere modernisering. In de kuststeden (Shanghai, Tianjin, Hankou en Kanton [Guangzhou]) werd door westerse (inclusief Japanse) ondernemers een lichte industrie opgebouwd. In Mantsjoerije werd door Japan, op grond van daar gevonden kolen en ijzererts, een zware industrie gesticht, die nu nog de ruggengraat van de moderne Chinese economie uitmaakt. Deze nieuwe activiteiten beroerden echter slechts kleine gebieden. |
De beperktheid van de westerse invloed hing samen met de grootte van het land, de afkeer van vreemde overheersing en vooral een sfeer van zelfgenoegzaamheid die China steeds heeft gekenmerkt. Bovendien werd China niet geacht over natuurlijke hulpbronnen te beschikken die voor de wereldeconomie van belang waren. De buitenlandse handel had daarom een bescheiden omvang. De uitvoer bestond vnl. uit agrarische producten en enige metalen. Het was deze basis die het communistische regime erfde in 1949. Van 1949 tot 1952 had de wederopbouw plaats van het productieapparaat, dat in de oorlog tegen Japan (1937–1945) en vervolgens in de burgeroorlog zwaar had geleden. Vooral het beteugelen van de inflatie was indrukwekkend. In 1953 ging het eerste vijfjarenplan (1953–1957) van start, dat met zijn nadruk op de ontwikkeling van de zware industrie de Sovjet-Unie tot voorbeeld had. |
Volgens de officiële opgaven groeide de economie in de periode 1953–1957 met ca. 8,3% per jaar. Voor de volgende vijfjarenplannen (zes tussen 1958 en 1990) zijn slechts vage bijzonderheden over de doelstellingen verschaft; wel is het duidelijk dat sinds 1960 een eigen ideologie werd gevolgd, waarbij de sectoren landbouw en industrie beide als zwaartepunten werden beschouwd ('lopen op twee benen'). Verder kan uit diverse gegevens worden afgeleid, dat het Grote Sprong Voorwaarts-programma (1958–1960), waarin getracht werd de groei van de moderne en traditionele sectoren te versnellen, op een mislukking uitdraaide, hetgeen mede veroorzaakt werd door misoogsten en de stopzetting van de hulp van de Sovjet-Unie in 1960. |
Ook de Culturele Revolutie (1966–1969), waarbij door haar aanhangers werd getracht de door Mao gepreekte permanente revolutie te zuiveren van 'kapitalistische' en 'revisionistische' smetten, had een negatieve invloed op de economische ontwikkeling, o.a. als gevolg van de ontwrichting van het vervoer en de doorbetaling van lonen en premies, terwijl de bedrijven voor politieke discussies waren stilgelegd. Sinds de dood van Mao (september 1976) wordt naar politieke stabiliteit gestreefd en wordt een pragmatische economische politiek vrij van ideologische slagzinnen gevolgd. Conjuncturele oververhitting en structuurproblemen van een economisch systeem in overgang karakteriseren de |
![]() |
China winkel. © Beeld Emmanuel Buchot. |
recente ontwikkelingen. Sinds 1990 wordt de economie in een razend tempo – vooral in de kustprovincies – geliberaliseerd en geprivatiseerd. De hoge economische groei liep als gevolg van de Aziatische crisis terug tot naar schatting 6,5%. De regering liet weten in elk geval de koers van de yuan te zullen handhaven. © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
Tilpasset søgning
|