China
China : Jaren zeventig en tachtig
Foto's van China

De politieke ontwikkelingen daarna vertoonden een steeds duidelijker tweeslachtigheid. Enerzijds was er sprake van een normalisatie op sociaaleconomisch terrein, die in veel opzichten neerkomt op een terugkeer naar de politiek van na de Grote Sprong Voorwaarts. Op het gebied van onderwijs en cultuur werd de maoïstische lijn van de Culturele Revolutie daarentegen onverminderd voortgezet.

Aan de top van het regime nam deze tegenstelling de vorm aan van een conflict tussen Zhou Enlai, die zich inzette voor een grootscheepse modernisering van de Chinese economie, en de zgn. Culturele-Revolutiegroep, door Mao vanaf 1965 geprotegeerde radicale nieuwkomers, onder wie zijn vrouw Jiang Qing (Tsjiang-tsj'ing). Dit conflict won aan scherpte toen Zhou vanwege hun politieke en bestuurlijke bekwaamheden node gemiste partijfunctionarissen begon te rehabiliteren, met als meest spectaculaire voorbeeld de benoeming van Deng Xiaoping tot vice-premier in 1973. In datzelfde jaar startte een nieuwe massacampagne tegen Confucius en Lin Biao, die beide partijen te eigen bate probeerden te sturen.

De jarenlange politieke en economische onzekerheid leidde in de periode 1974–1976 tot grote sociale onrust in m.n. de Chinese steden, die gevaarlijk dicht in de buurt van een algemene gezagscrisis kwam. Toen Zhou begin 1976 stierf, werd de onbekende Hua Guofeng (Hwa Kwo-feng) tot zijn (voorlopige) opvolger benoemd. Begin april volgden grote betogingen in Peking (en andere steden) ten gunste van Zhou's politiek, die krachtig onderdrukt werden; Deng werd opnieuw van al zijn functies ontheven. De aanhoudende onrust onder de bevolking werd in de zomer van 1976 verhevigd door een catastrofale aardbeving in Noordoost-China. Hua Guofeng bleek Mao's opvolger te zijn geworden. Zoals het tiende partijcongres (1973) de overwinning op Lin Biao had vastgelegd, zo bevestigde het elfde congres (1977) officieel Hua's positie als premier, partijleider en opvolger van Mao, maar ook die van de ten tweeden male gerehabiliteerde Deng.

Begin 1978 stelde het Vijfde Nationale Volkscongres een nieuwe grondwet vast, die na de vorige van 1975 een terugkeer naar de oorspronkelijke van 1954 betekende. De ruim tien jaar durende onduidelijkheid over de richting die de Chinese politiek zou inslaan leek nu beslecht: m.n. Deng ontpopte zich als de drijvende kracht achter de door Zhou Enlai al in het begin van de jaren zestig geformuleerde politiek van de 'vier moderniseringen' (nl. die van industrie, landbouw, wetenschap en technologie en leger). In het kader van deze politiek werd een einde gemaakt aan vrijwel alle veranderingen die ten gevolge van de Culturele Revolutie tot stand waren gekomen.

De definitieve breuk met de erfenis van Mao zette zich in op de derde algemene vergadering van het

Portret van Hua Guofeng
Portret van Hua Guofeng.
Centrale Comité van de Chinese Communistische Partij in december 1978. Deze vergadering markeerde het einde van het leiderschap van Hua Guofeng, die er na de dood van Mao Zedong naar streefde om de 'orde onder de hemel' te herstellen, zoals die voor de Culturele Revolutie heerste. Tijdens het Derde Plenum werd besloten tot een programma van beperkte hervormingen, alsmede tot rehabilitatie van de slachtoffers van de maoïstische terreur. Vanaf 1978 kwam het voorts tot een liberalisatie op economisch, cultureel en in mindere mate ook op politiek gebied, die verder ging dan ooit tevoren in de Volksrepubliek.
In 1980 koos het Volkscongres Zhao Ziyang tot premier. Zhao werd de rechterhand van Deng Xiaoping in het doorvoeren van economische hervormingen. Hu Yaobang volgde Hua Guofeng als partijvoorzitter op. Vanaf december 1978 was Deng de facto China's machtigste man. © Schriftelijke door en Encarta.
Tilpasset søgning