China
China van 1989 tot 2000
Foto's van China

Als gevolg van studentendemonstraties in de winter van 1986–1987, waarin de roep om een 'Vijfde Modernisering' (nl. politieke hervormingen in de vorm van een verregaande democratisering van de samenleving ter ondersteuning van de vier andere moderniseringen) centraal stond, moest Hu Yaobang het veld ruimen, omdat de conservatieven in de partij hem een lankmoedige houding ten opzichte van de studenten verweten.

Zijn functie werd tijdelijk waargenomen door Zhao Ziyang, die tijdens het dertiende partijcongres in oktober 1987 definitief tot partijvoorzitter werd benoemd.

Deng zorgde er voor dat tijdens dit zelfde congres de veel conservatievere, in de Sovjet-Unie opgeleide Li Peng tot premier werd benoemd. In reactie op de dood van Hu Yaobang op 15 april 1989 werd er in China aan diverse universiteiten gestaakt en gedemonstreerd. In de weken daarna werd het Plein van de Hemelse Vrede in Peking door een grote groep demonstrerende studenten bezet. Zhao Ziyang gaf te kennen dat hij op de eis tot politieke hervormingen wilde ingaan en moest voor deze toenadering later zelf het veld ruimen. Om de studenten van het plein te verwijderen en de orde te herstellen, werd het leger ingezet, maar, geholpen door de bevolking van Peking wisten de studenten de legereenheden aan de rand van de stad tot staan te brengen. Op 4 juni werd echter op bevel van Deng Xiaoping het Plein van de Hemelse Vrede door het leger op gewelddadige wijze ontruimd, waarbij honderden demonstranten werden gedood.

In januari en februari 1991 kreeg een twintigtal leiders van de studentenonlusten in 1989 zware straffen opgelegd.

In 1991 werd de hervormingsgezinde burgemeester van Sjanghai, Zhu Rongji, door het Volkcongres tot vice-premier benoemd. In mei pleegde de weduwe van Mao, Jiang Qing, en lid van de 'Bende van Vier' zelfmoord. In 1992 werd het conservatieve economische beleid, dat sinds 1988 werd gevoerd, versoepeld. In de Grondwet van 1993 werden de principes van een 'socialistische markteconomie' vastgelegd. De liberale economische politiek leidde in de jaren negentig tot ongekend hoge groeicijfers, maar bracht de centrale overheid ook in moeilijkheden. Ernstige problemen waarmee de Chinese economie te kampen had waren de enorme verliezen van de staatsbedrijven, de inflatie, de stagnatie in de landbouw, de groeiende inkomensongelijkheid en het vooralsnog ontbreken van macro-economische sturingsmechanismen bij de overheid om de economie in bedwang te houden. Voor het eerst in de geschiedenis van het Chinese communisme gaf de overheid, bij monde van premier Li Peng, laatstgenoemd feit in maart 1995 toe. Daarbij kwam nog dat, ondanks een actieve bevolkingspolitiek, de groei van de bevolking volgens officiële cijfers sneller toenam dan gepland. In werkelijkheid was de situatie nog veel ongunstiger, omdat de verantwoordelijke functionarissen op grote schaal te lage geboortecijfers rapporteren, uit angst voor sancties.

Zhao Ziyang
Zhao Ziyang.
In een poging van de overheid het lot van de boeren te verbeteren stegen de voedselprijzen in 1994 sterk, wat een grote toename van de sociale onrust tot gevolg had. Veel boeren trokken naar de steden in de hoop daar beter betaald werk te vinden. Stedelingen klaagden over inflatie, nepotisme en corruptie. Dit laatste was voor China's sterke man Jiang Zemin reden genoeg de anti–corruptiecampagne voort te zetten, waarbij er in 1995 ook slachtoffers vielen in de hogere politieke regionen.

Partijvoorzitter, president en opperbevelhebber Jiang Zemin, de voorlopige opvolger van de in februari 1997 op 92-jarige leeftijd overleden Deng Xiaoping, wist zijn invloed verder te vergroten binnen de partij en de strijdkrachten. Op de Eerste Plenaire Zitting van het Vijftiende Centrale Comité in september 1997 consolideerden Jiang Zemin en Li Peng hun machtspositie.

De economische hervormingen duidden echter geenszins op een versoepeling op het politieke vlak. Nadat de Verenigde Staten in 1994 China op handelsgebied de status van 'meest begunstigde natie' hadden verleend, verscherpte Peking de repressie tegen dissidenten. Ook onrust in de buitengebieden werd hard bestreden, vooral in Tibet en Xinjiang. In laatstgenoemd gebied streden seperatisten en moslimactivisten voor onafhankelijkheid. In 1997 vonden daar geregeld ernstige onlusten plaats tussen Oejgoeren en Han-Chinezen, waarbij leger en politie ingrepen. Aanleiding voor de ongeregeldheden vormden de (gedwongen) massale immigratie van Han-Chinezen, waardoor de Oejgoeren in hun eigen gebied een minderheid dreigden te worden. In februari 1998 werd Li Peng opgevolgd door Zhu Rongji als minister–president. Voor zijn ambtstermijn (1998–2003) kondigde hij hervormingen aan van de inefficiënte structuur van de ministeries en staatsondernemingen. Het doel van de regering was om tot een verdere

Li Peng
Li Peng.
economische liberalisering te komen ter vestiging van een ‘socialistische markteconomie’. © Schriftelijke door en Encarta.
Tilpasset søgning