Geschiedenis van Algerije : Vanaf de jaren tachtig |
| Foto's van Algerije |
7/08/11
|
Op 27 december 1978 overleed president Houari Boumediène. Op het FLN-congres in januari 1979 waar een opvolger benoemd moest worden, ontbrandde de machtsstrijd tussen de gematigde minister van Buitenlandse Zaken, Abdelaziz Bouteflika en de radicale Mohammed Salah Yahiaou. Kolonel Bendjedid Chadli werd uiteindelijk door het leger als compromiskandidaat naar voren geschoven. Terwijl studenten demonstreerden voor de ‘arabisering’ van het onderwijs en de ‘socialisering’ van de samenleving, kwamen de Berbers in Kabylië juist in verzet tegen de arabiseringspolitiek. Ook roerden moslim-fundamentalisten zich steeds meer. Chadli slaagde er echter in de onrust in te dammen en tegelijk zijn voornaamste politieke rivalen op een zijspoor te zetten. Bouteflika, in 1979 al vervangen als minister van Buitenlandse Zaken, werd in 1981 uit het FLN gezet. Toen zijn machtspositie enigszins gestabiliseerd was, begon Chadli een voorzichtige politieke liberalisering. Politieke gevangenen werden vrijgelaten. Hiervan profiteerde o.a. de vroegere president Mohammed Ben Bella, die vervolgens uitweek naar Parijs en daar de ‘ben bellistische’ oppositie aanvoerde (de Beweging voor Democratie in Algerije). |
Ook op economisch gebied week Chadli geleidelijk af van de orthodox-socialistische lijn van zijn voorganger. In januari 1986 werd per referendum een nieuw Handvest goedgekeurd, waarin naast een pragmatischer economisch beleid ook een grotere rol voor de islam was ingeruimd. Tegen extremistische moslim-fundamentalisten, die zich vanaf de jaren tachtig steeds meer manifesteerden, werd hard opgetreden. Begin oktober 1988 kon het leger slechts ten koste van honderden doden een eind aan een volksopstand maken. President Benjedid Chadli greep de gebeurtenissen aan om ingrijpende politieke hervormingen aan te kondigen en zich te ontdoen van orthodoxe FLN-functionarissen. Niet alleen werd het FLN intern gedemocratiseerd, maar ook werden door middel van een wijziging van de grondwet een meerpartijenstelsel en een grotere macht voor de Nationale Volksvergadering mogelijk gemaakt. |
Een nieuw kabinet onder de gematigde premier Kasdi Merbah moest tevens streven naar een aanzienlijke verbetering van de levensstandaard. Meer dan twintig politieke partijen werden gelegaliseerd, waaronder op 20 januari 1990 het Islamitisch Heilsfront (FIS) van Abassi Madani. Bij de eerste ronde van de parlementsverkiezingen in december 1991 behaalde het FIS een grote overwinning. Vijf dagen voor de tweede ronde, januari 1992, trad president Benjedid Chadli af en werd vervangen door een Hoge Staatsraad, waarin premier Sid Ahmed Ghozali en minister van Defensie generaal Khaled Nezar de toon aangaven. De tweede ronde werd uitgesteld. Door arrestaties van FIS-leiders werd getracht de macht van het FIS te breken. Aanslagen en botsingen tussen fundamentalisten en leger en politie eisten tientallen slachtoffers. In maart 1992 werd het FIS officieel verboden. Eind juni werd president Boudiaf vermoord. Over de achtergrond van de aanslag bleef onduidelijkheid bestaan. Boudiaf werd opgevolgd door Ali Kafi, een lid van de staatsraad. In augustus 1993 werd de vroegere premier Merbah bij een aanslag gedood. De grondwet en het parlement werden buiten werking gesteld en vervangen door een nationale overgangsraad, die in 1994 zijn bevoegdheden overdroeg aan generaal Liamine Zeroual, die als president verstrekkende volmachten kreeg. |
![]() |
Bouteflika. |
Duizenden fundamentalisten werden gearresteerd en het FIS antwoordde met terreuraanslagen en ontvoeringen, waarvan ook in Algerije wonende buitenlanders, vooral Fransen, het slachtoffer werden. Vooral de extremistische fundamentalistische beweging GIA (Gewapende Islamitische Groepen), een afsplitsing van het FIS, voerde talloze aanslagen uit, ook in Frankrijk. Veel kunstenaars en intellectuelen werden het slachtoffer van aanslagen, waarbij ook veel vrouwen en kinderen omkwamen. |
Eind 1995 werd de zittende president Zeroual met een absolute meerderheid herkozen. Het geweld van de GIA bleef niet beperkt tot burgers, maar nam ook de vorm aan van een machtsstrijd tussen de GIA en de gewapende tak van het FIS, het AIS. De burgeroorlog heeft het FIS verdeeld en leiders in ballingschap distantieerden zich van het geweld. Een grondwetswijziging in 1996 moest Algerije een democratischer karakter geven. Politieke partijen die zich beriepen op de islam of Arabische of Berberse identiteit zouden echter verboden zijn. In 1996 en 1997 gingen de moordpartijen, waaraan duizenden burgers ten slachtoffer vielen, onverminderd voort, ondanks uitspraken van de autoriteiten dat zij de situatie onder controle hadden en dat er slechts sprake was van een ‘restant aan terrorisme’. In oktober 1997 veroordeelde de Europese Unie het geweld in Algerije en riep op tot een dialoog. De Algerijnse regering wees echter elke bemoeienis van de hand met wat zij zag als een interne aangelegenheid. De parlementsverkiezingen van juni 1997 werden gewonnen door de Nationaal Democratische Bundeling (RND), die vier maanden daarvoor was opgericht door president Zeroual. Veel kiezers bleven thuis uit angst voor aanslagen. In 1998 was er sprake van massaal geweld. |
![]() |
president Zeroual. |
Vooral tijdens de islamitische vastenmaand ramadan in januari vonden bloedige aanslagen plaats, waarbij soms honderden slachtoffers vielen, vooral in dorpen ten zuiden van Algiers, de zogenaamde Driehoek des Doods. Algerije bleef internationaal onderzoek naar het geweld afwijzen als inmenging in interne aangelegenheden. President Zeroual maakte in 1998 bekend niet meer beschikbaar te zijn voor de verkiezingen van 1999, die door hemzelf vervroegd waren uitgeschreven. Op 15 april 1999 werd Abdelaziz Bouteflika gekozen tot nieuwe president van Algerije. Bouteflika, vroeger minister van Buitenlandse Zaken onder Boumediène, was de kandidaat van het leger, de belangrijkste machtsfactor in Algerije. Kort voor Bouteflika’s verkiezing hadden zes officiële presidentskandidaten zich teruggetrokken wegens ‘manipulatie’ van de verkiezingen. Bouteflika’s politiek van verzoening resulteerde eind juni 1999 in een nieuwe wet ‘civiele harmonie’. Kern van de wet was een amnestie voor moslimextremisten die de gewapende strijd opgaven. Als een gebaar van goede wil werden op 5 juli, de Algerijnse onafhankelijkheidsdag, duizenden moslimfundamentalisten uit de gevangenissen vrijgelaten. In een referendum op 16 september schaarde de Algerijnse bevolking zich massaal (98%) achter de nieuwe wet. "Algerije," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|