Zuid-Afrika

Zuid-Afrikaanse economie

Foto's van Zuid-Afrika
9/08/11

De economie van Zuid-Afrika wordt gekenmerkt door een dualistisch karakter. Het gaat hier in wezen om een moderne economie, geconcentreerd in enkele sterke groeipolen, en een aantal onderontwikkelde samenlevingen, gekenmerkt door ‘subsistence farming’ (zelfvoorziening op agrarisch gebied, met slechts incidentele contacten met de geldeconomie). De moderne economie kent een aantal agglomeratiekernen, waarvan Zuid-Transvaal de belangrijkste is. Dit gebied dankt zijn economische groei vooral aan de aanwezigheid van delfstoffen in de bodem. Met name de ontdekking van het goud ten zuiden van Pretoria in 1885, samen met de vondst van diamanten in Kimberley vijftien jaar eerder, was het startsein voor de economische ontwikkeling van Zuid-Afrika. Op basis van de beschikbare delfstoffen ontstond hier tevens een sterke, expansieve nijverheid, en werd de Zuid-Transvaal het industriële hart van Zuid-Afrika.

De drie overige agglomeraties danken hun bestaan veeleer aan de nabijheid van zeehavens. Het zijn: de Westelijke Kaap, Durban en Port Elizabeth. De officiële regeringspolitiek was erop gericht te komen tot een modernisering en daardoor ontwikkeling van de thuislanden, waardoor deze minder afhankelijk zouden worden van de migratie naar de ‘blanke’ industriële concentraties. Dit beleid stuitte af op de blijvende grote vraag naar arbeidskrachten van de industriecentra en op de trage ontwikkeling van de thuislanden. De combinatie van een tekort aan arbeidskrachten (zowel geschoolden als ongeschoolden) en de problemen verbonden aan de ontwikkeling van de thuislanden leidden tot de instelling van de ‘grensnijwerhede’, industrieën nét over de grenzen van de thuislanden gelegen, die hun arbeiders aantrokken uit de thuislanden.

Politieke partijen en vakbondsorganisaties

De ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse economie had een late start; afgezien van de mijnbouw was er vóór de Eerste Wereldoorlog weinig industrie. In de loop van de oorlogsjaren leidde het wegvallen van Europa als toeleveringsgebied tot het ontstaan van een lokale, invoervervangende nijverheid. Twee factoren hebben daarbij, ook na 1918, een rol gespeeld: in de eerste plaats de belangrijke bijdrage die de overheid leverde aan het ontwikkelen van een eigen industrie; in de tweede plaats de rol van buitenlandse bedrijven (uit o.a. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nederland). De overheid aarzelde nooit zelf economische initiatieven te nemen waar haar dat noodzakelijk voorkwam, al bleef het vrije ondernemerschap de stelregel. Een belangrijk motief daarbij was om tegenover de overheersende positie

Zuid-Afrikaanse economie
Zuid-Afrikaanse economie.
van het Engelstalige bedrijfsleven een Afrikaner industriële elite te creëren. In 1923 werd de Elektriciteitsvoorzieningscommissie opgericht, de ESKOM. De overheid speelde voorts een actieve rol bij de stichting van de ISCOR (Die Suid Afrikaanse Yster en Staal Industriele Korporasie). Tussen 1945 en 1970 kende de Zuid-Afrikaanse economie een ononderbroken, sterke economische groei. Het Bruto Nationaal Product (bnp) groeide m.n. tussen 1960 en 1970, en wel met 76%.

Alle sectoren deelden in deze groei, alleen de landbouw bleef achter. Het grote aandeel van de goudproductie in de gehele economische activiteit bepaalt in hoge mate de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse economie, een ontwikkeling die niet altijd parallel met die van de rest van de wereld verloopt. Een stijging van de goudprijs stimuleert productie en export van goud, een daling heeft het omgekeerde effect. De goudproductie fungeert als een vliegwiel voor de economie. In de eerste helft van de jaren zeventig deed zich ook in Zuid-Afrika de wereldrecessie voelen. Na het bloedbad van Soweto (1976) namen de buitenlandse investeringen af en namen sancties toe. De kosten van het olie-embargo tegen Zuid-Afrika worden van 1979 tot 1990 geschat op ten minste $ 25 miljard.

Zuid-Afrika
Zuid-Afrika.
Tussen 1975 en 1988 bedroeg de economische groei gemiddeld minder dan 2% en was daarmee lager dan de bevolkingstoename. De economische macht is geconcentreerd in een zestal grote bedrijven, waarvan Anglo American, Rembrandt en Sanlam de belangrijkste zijn. Zuid-Afrika kent een extreme economische ongelijkheid. In 1995 leefde 23,7% mensen onder de armoedegrens. De inkomensverdeling verhoudt zich per bevolkingsgroep als volgt: blanken 100, Indiërs 35, kleurlingen 25 en zwarten 12. Beziet men de mogelijkheden op langere termijn, dan moet gesteld worden dat Zuid-Afrika rijk is aan grondstoffen, waardoor een verdere economische groei mogelijk is. De zwakte van de economie is gelegen in de extreme verschillen in ontwikkeling en groeitempo van de regio en het verschil in economische ontwikkleing tussen de blanke en de zwarte bevolking, met de daaraan verbonden gevaren voor de politieke en economische stabiliteit. Sinds 1995 is er een reële groei van het bnp door een groot optimisme, hoge verwachtingen en effectieve nieuwe buitenlandse investeringen. Het einde van het isolement betekent expansie van de Zuid-Afrikaanse producten, die nu weer overal ter wereld welkom zijn. Door de toegenomen binnenlandse vraag staat het overschot op de handelsbalans evenwel onder druk. Mede als gevolg van de Aziatische crisis, daalde de koers van de rand in 1998 met ruim 17%. Het bbp stagneerde en de inflatie liep tot ruim 9% op. In 2000 was de Zuid-Afrikaanse economie stabiel: het bbp groeide met 3% en de inflatie lag rond de 8%. Het officiële werkloosheidscijfer was licht gedaald, tot 23,3% in 1999. Terwijl de economie ook in 2001 stabiel bleef, daalde de Rand sterk, met als oorzaken de instabiliteit in Zimbabwe en het slechte beleid inzake de aidsepidemie. "Zuid-Afrika," © Schriftelijke door en Encarta
Tilpasset søgning