Duitsland in de 20e eeuw : De Weimar-republiek
|
Beelden Duitsland |
Deze nieuwe republiek, waarin socialisten, democraten en het katholieke centrum de sterkste partijen vormden, zag zich allereerst voor de zware taak gesteld de wapenstilstand en vervolgens de vrede met de overwinnaars te sluiten. Bij de Vrede van Versailles (28 juni 1919) werden Elzas-Lotharingen en andere grensgebieden, benevens alle koloniën, afgestaan. Vooral de nieuwe oostgrens, waarbij Oost-Pruisen door de Poolse corridor van de rest van het rijk werd gescheiden, werd door vele Duitsers als ondraaglijk gevoeld. Het leger moest tot 100 000 man worden gereduceerd. De vloot mocht maximaal zes slagschepen van 10 000 ton, zes kruisers van 6000 ton en 24 torpedobootjagers hebben. Een nader uit te werken regeling voorzag in zeer hoge herstelbetalingen. Te Weimar was inmiddels een democratische constitutie uitgewerkt, die echter aan de president nog vrij grote invloed toekende. Eerste rijkspresident werd de socialist Friedrich Ebert. De eerste jaren vertoonden een beeld van economische ellende en politieke chaos. De communistische Spartakusopstand (zie Spartakusbund) werd onderdrukt en aan de half-revolutionaire raden kwam eveneens een eind. |
De regering zag in de verwarring haar voornaamste taak in het handhaven van de orde, waarvoor zij de steun van de oude legerkringen nodig meende te hebben. Daarmee verkregen de conservatief-monarchale elementen al dadelijk weer een zekere invloed en de (overdreven) angst voor de bolsjevistische revolutie (zie bolsjevisme) versterkte de invloed van de rechtse partijen al snel. Het jaar 1923 bracht een dieptepunt door de Franse Ruhrbezetting en de inflatie, die catastrofale gevolgen had en de hele economie ontwrichtte. Rechts-radicaal separatisme in Beieren, communistische woelingen in Thüringen en Saksen bedreigden de eenheid. In de komende jaren volgden echter een normalisering en verbetering van de toestanden. Ook internationaal kwam er ontspanning, o.a. door het Pact van Locarno (1925), geestesproduct van Stresemann en Briand, waarbij de verhouding tot de Entente verbeterd werd. |
Toch bleven de rechtse partijen, die door brede kringen werden gesteund, vreemd staan tegenover de democratie. De wereldcrisis van 1929 trof het land bijzonder zwaar. De werkloosheid ging met sprongen omhoog en bereikte in 1932 de 6 miljoen. Daarmee groeide het radicalisme van links, maar vooral van rechts aan tot een levensgroot gevaar voor de republiek. Dat gold vóór alles voor de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP; zie nationaal-socialisme) van Adolf Hitler, die in 1930 107 zetels in de Rijksdag verwierf en daarmee de tweede partij werd (SPD 143 zetels). Gezien de felle tegenstellingen in de Rijksdag en de noodsituatie trachtten van 1930 tot 1933 enkele buitenparlementaire kabinetten (Brüning, von Papen en von Schleicher), steunend op het gezag van de oude rijkspresident von Hindenburg, die in 1925 Ebert was opgevolgd, de economische en politieke chaos de baas te worden. Daarbij werden de socialisten al spoedig uitgeschakeld en werd een reactionair beleid gevoerd. Toen in 1932 de NSDAP als sterkste partij uit de verkiezingen te voorschijn kwam, bleek echter spoedig dat haar demagogie en massa-aanhang elke regering verlamde die niet het risico van een militaire staatsgreep met de hulp van het leger aandurfde. Aangezien men dat risico niet wilde nemen, werd ten slotte Hitler rijkskanselier van een kabinet waarin naast enkele nationaal-socialisten ook Duits-nationalen en partijloze conservatieven zitting hadden (30 januari 1933). |
![]() |
Friedrich Ebert. |
![]() Aangepast zoeken
|