Spanje : Het Moorse Spanje, de Reconquista en de katholieke koningen (711–1504)
|
Beelden Spanje |
Door onderlinge conflicten bij de Visigoten werd in 711 de Moorse veldheer Tarik te hulp geroepen. De Moren maakten zich binnen tien jaar meester van het gehele schiereiland, met uitzondering van Asturië. Hun heerschappij bracht verbetering voor de toestand van de lagere volksgroepen. Onder de Omajjaden (756–1031) die met Abd al-Rahman I aan de macht kwamen, ontwikkelde zich een grootse Moors-Spaanse beschaving met Córdoba als centrum. Islamieten, christenen en joden leefden in verdraagzaamheid samen. Het land kwam tot grote welvaart; literatuur, kunsten en wetenschappen, nijverheid (vooral ambachtelijk) en handel bloeiden. Het behoud van de Griekse filosofie en de klassieken van de oudheid is deels aan deze cultuur te danken. Onder Abd al-Hahman III (912–961), die in 929 de titel van kalief aannam en diens zoon, de dichter en geleerde Hakam II (961–976), bereikte het Moorse Spanje, dat 20 miljoen inw. had, zijn grootste luister. Het was vooral een stedelijke beschaving: Córdoba bijv. telde 1 miljoen inw. |
Vanuit het noorden werd het Moorse rijk bedreigd door kleine christelijke staatjes die zich hadden kunnen handhaven of opnieuw gevormd waren en een agrarisch-militair karakter hadden: Navarra, Aragón (met Catalonië) en León, later Castilië. Tussen deze staatjes en het Moorse gebied lag een dunbevolkt niemandsland. Al-Mansoer (Almanzor), veldheer van Hisjam II (976–1013), had de christenen nog ver kunnen terugdringen, verwoestte Santiago de Compostela en veroverde Fès in Marokko. Na de dood van Al-Mansoer in 1002 keerde het tij. Het rijk der Omajjaden viel uiteen in ‘taifas’ (vorstendommen).De Reconquista (herovering) van het Moorse door het christelijke Spanje had aanvankelijk meer een politiek dan een religieus karakter. |
In 1085 veroverde Alfons VI van Castilië de cruciale stad Toledo. Een jaar later werd hij verslagen door de Almoraviden onder Ali ibn Joesoef, die vanuit Noord-Afrika de Moren te hulp snelden. De Almoraviden vestigden hun eigen heerschappij in Spanje en herstelden de eenheid. De Almohaden, eveneens Berbers uit Afrika, volgden ca. 1150 de Almoraviden op en wisten als laatsten de christenen terug te dringen. De Slag bij Navas de Tolosa in 1212 betekende echter de beslissende ommekeer. Zuid-Spanje werd door Castilië, dat in 1230 met León verenigd was, veroverd, met uitzondering van het Moorse koninkrijk Granada. Jerez de la Frontera werd in 1250 veroverd. Hoewel Castilië een traditie had van strijdend ridderschap (hidalgo's) en religieus-militaire orden, bleef de Moorse cultuur nog lang doorwerken. Moren en joden behielden hun rechten en vrijheden en de christelijke beschaving kwam tot grote bloei. Door het huwelijk in 1469 van de ‘katholieke koningen’, Ferdinand II van Aragón (1479–1516) en Isabella van Castilië (1474–1504), werd Spanje verenigd, wat vooral in hun gemeenschappelijke politieke doelstellingen tot uiting kwam (beide landen behielden hun eigen politieke structuur). |
![]() |
Alfons VI van Castilië |
Koningschap en kerk hadden sedert die tijd een nauw politiek verbond tot onderdrukking van alle afwijkingen op kerkelijk en politiek gebied. |
De Hermandad en de Inquisitie, die ook als staatkundige instelling diende, werden versterkt. Navarra en Napels kwamen aan Castilië. In 1492 werd Granada veroverd en werden naar schatting tussen 120 000–150 000 joden, die weigerden zich tot het christendom te bekeren, uit Spanje verdreven. In hetzelfde jaar ontdekte Columbus, in dienst van Spanje, Amerika. Ondanks de toenemende religieuze intolerantie beleefde de Spaanse cultuur tot diep in de 17de eeuw een grote bloei. Emmanuel Buchot en Encarta. Meer info op genealogieonline.nl |
![]() Aangepast zoeken
|