Spanje : Onder de Bourbons (1700–1868)
|
Beelden Spanje |
Na de dood van Karel II werd Filips V van Bourbon koning; zijn rechten op de troon werden na de Spaanse Successieoorlog algemeen erkend. Spanje verloor echter de Zuidelijke Nederlanden, de Italiaanse bezittingen en Gibraltar. Door Filips' echtgenote, Elisabeth van Parma, verkreeg het weer aanspraken op Parma en Napels-Sicilië. Mét de Bourbons kwamen het Franse absolutisme en centralisme naar Spanje. Een Catalaanse opstand (1702–1714) werd onderdrukt en in 1713 resp. 1714 werden de Cortes (parlement) van Castilië en Aragón voor het laatst bijeengeroepen; alleen de Basken en Navarra behielden nog enkele vrijheden. Onder Karel III (1759–1788) werd, onder invloed van de ideeën van het verlichte despotisme, de centrale macht ten voordele van het volk aangewend. De welvaart herleefde enigszins, corruptie en nepotisme verminderden, de jezuïeten werden verbannen. Spanje bleef verbonden met de Franse Bourbons (Familieverdrag van 1761) en voerde oorlogen met Engeland (o.m. de Zevenjarige Oorlog en de Amerikaanse Vrijheidsoorlog), waardoor verbeteringen en hervormingen teloor gingen. Onder Karel IV (1788–1808) en diens minister Godoy keerden de oude misstanden volledig terug. |
Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich eerst aan de zijde van Oostenrijk en Engeland (1793–1795), maar verbond zich in 1796 met het Franse Directoire en kwam in oorlog met Engeland, die slechts door de Vrede van Amiens kortstondig onderbroken werd (1802–1803). De Britten vernietigden de Spaanse vloten bij Finistère en Trafalgar in 1805. In mei 1808, nadat Franse troepen het land waren binnengetrokken, deden de koning en zijn zoon, onder druk van Napoleon afstand van de troon (‘Komedie van Bayonne’). In Madrid ontstond een volksopstand die door Murat bloedig werd onderdrukt; Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd. Hierop brak een algemene opstand uit, waarin nationale trots, vreemdelingenhaat, vrijheidszin en religieus-feodaal fanatisme samengingen. |
Zo werd van 1808 tot 1813 een uiterst wrede en grillig verlopende oorlog uitgevochten waarvan Goya in zijn Desastres de la guerra getuigt. De Spaanse guerrilla (het woord ontstond toen), die de bezetters grote verliezen toebracht, werd gesteund door een Brits expeditieleger onder Wellington, opererend vanuit Portugal. Op vele plaatsen waren junta's ontstaan, in Sevilla een centrale junta. Deze werd opgevolgd door de ‘Cortes’ die heel Spanje vertegenwoordigde en in 1812 in Cádiz een grondwet uitvaardigde naar het model van de Franse constitutie van 1791. Wellington had de Fransen in 1809 een zware nederlaag bezorgd bij Talavera de la Reina maar moest zich daarna op Portugal terugtrekken. In mei 1813 verliet Jozef Madrid en op 21 juni behaalde Wellington een laatste beslissende overwinning bij Vitoria. De Cortes trok in januari 1814 triomferend Madrid binnen en plaatste Ferdinand VII op de troon nadat hij de grondwet erkend had. De koning verbrak zijn belofte snel en heerste als absoluut monarch. In Spaans-Amerika ontstonden onafhankelijkheidsbewegingen waar het moederland machteloos tegenover stond. Van het grote koloniale rijk bleven uiteindelijk alleen Cuba, Puerto Rico en de Filippijnen behouden. Het absolutisme van Ferdinand leidde tot een ‘pronunciamiento’ (staatsgreep van het leger) van generaal Riego in 1820, waarna de constitutie van 1812 weer van kracht werd. De Heilige Alliantie stuurde vervolgens een Frans leger van 100 000 ‘zonen van Sint Lodewijk’ (1822–1823) naar Spanje dat het absolutisme herstelde. |
![]() |
Karel IV. |
Een harde repressie volgde, maar de idealen van de liberalen (het woord ontstond in Riego's tijd) werden levend gehouden. De gehele 19de eeuw zouden enerzijds reactionaire en klerikale, anderzijds liberale krachten het politieke spanningsveld bepalen. Tussen beide in stonden de ‘moderados’ (gematigden) die als gevolg van de tegenstellingen het politieke toneel veelal wisten te beheersen. Gedurende deze periode speelden zich een groot aantal ‘pronunciamiento's’, opstanden en burgeroorlogen af. |
Ferdinand had kort voor zijn dood in 1833 de erfopvolging veranderd, waardoor zijn dochtertje Isabella (II) onder voogdij van haar moeder Maria Cristina de troon kon bestijgen. Don Carlos, Ferdinands reactionaire broer, begon de Eerste Carlistenoorlog die tot 1839 in Noord-Spanje woedde. Als reactie hierop vormde Maria Cristina een links tegenwicht tegen de Carlisten, die o.a. de steun van het Vaticaan genoten. In 1836 werd het kerkelijk grootgrondbezit verkocht door Mendizabel. De ‘moderados’ en het hof ontwikkelden zich na de Carlistenoorlog in rechtse en klerikale richting, wat slechts onderbroken werd tijdens een liberaal tussenspel van 1854 tot 1856, na een geslaagde ‘pronunciamiento’ van O'Donnell. |
![]() |
Isabella (II) |
De ontwikkeling van mijnbouw en industrie verliep langzaam en – evenals de spoorwegen – dikwijls dankzij buitenlands kapitaal. Emmanuel Buchot en Encarta. |
![]() Aangepast zoeken
|