Sovjet-Unie

Sovjet-Unie : Bestuur en samenleving

Beelden Sovjet-Unie
Sovjet-Unie : Staatsinrichting

In november 1917 beschikten Lenin en zijn medestanders niet over een kant en klare voorstelling over de inrichting van de staat. De marxistische doctrine voorzag in een dictatuur van het proletariaat. Voor de staatkundige vormgeving van hun beginselen maakten de nieuwe leiders gebruik van de op vele plaatsen ontstane raden (sovjets) van arbeiders en soldaten (en soms ook boeren). De bolsjevisten (zie bolsjevisme) slaagden erin om in een aantal belangrijke sovjets, in het bijzonder die van de toenmalige hoofdstad Petrograd, een doorslaggevende positie in te nemen. Een landelijk congres van de sovjets trok in januari 1918 de taak van hoogste staatsorgaan aan zich. In de eerste sovjetgrondwet van 10 juli 1918 werd deze toestand bestendigd. De meeste parlementaire functies werden aan een kleiner orgaan overgedragen, het Centrale Uitvoerende Comité. De eigenlijke regering werd gevormd door de Raad van Volkscommissarissen onder voorzitterschap van Lenin.

De dictatuur van het proletariaat vond in het kiesrecht voor het landelijke sovjetcongres uitdrukking in het ontnemen van het stemrecht aan de leden van de vroegere heersende klasse en in de sterke oververtegenwoordiging van de stedelijke industriearbeiders ten opzichte van de boeren op het platteland. Nadat de voornaamste Europese randgebieden (Finland, de
Russische Sovjet-Republieken
Russische Sovjet-Republieken

Baltische staten, Polen, de Kaukasische staten) zich hadden losgemaakt, bleef het eigenlijk etnisch Russische rompgebied met de vele kleine en grote minderheidsvolkeren die daar woonachtig waren, over. Dit vormde het staatsgebied van de Russische Socialistische Federatieve Sovjet-Republiek (RSFSR), de rechtsopvolger van het Rusland van de Voorlopige Regering (maart–november 1917) en daarvóór van het Russische keizerrijk. De Oekraïense en Wit-

Russische Sovjet-Republieken waren nauw met de RSFSR geassocieerd en praktisch eraan ondergeschikt. Tussen deze drie en de uit de drie Kaukasische republieken (Armenië, Georgië en Azerbeidzjan) gevormde Transkaukasische Federatieve Sovjet-Republiek werd eind 1922 een verdrag getekend waarbij de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken (USSR) werd opgericht. Voor dit federatieve verband werd een nieuwe grondwet afgekondigd op 31 januari 1924. Deze bevatte een aantal noodzakelijke voorzieningen voor de federale staatsstructuur, maar volgde verder het model van de RSFSR-grondwet van 1918.

In de nieuwe grondwet van 5 december 1936 werd de functie van volksvertegenwoordiging opgedragen aan de uit twee kamers bestaande Opperste Sovjet. Deze koos een Presidium, dat in vele gevallen als vervanger van de Opperste Sovjet kon optreden en daarnaast enige staatshoofdfuncties uitoefende. Als voornaamste uitvoerend orgaan bleef de Raad van Volkscommissarissen (Russ.: Sovnarkom; in 1946 omgedoopt in Raad van Ministers). Op 7 oktober 1977 werd een nieuwe grondwet afgekondigd. De invoering van het ambt van eerste vice-voorzitter van het Presidium van de Opperste Sovjet stelde de secretaris-generaal van de Communistische Partij in staat ook de hoogste ceremoniële functie te vervullen van voorzitter van het Presidium. "Sovjet-Unie" © Schriftelijke door en Encarta