Engeland : Regering-Blair
|
Beelden Engeland |
De algemene verkiezingen van mei 1997 leverden een grote overwinning op voor Labour onder leiding van Tony Blair. In Schotland en Wales raakten de Conservatieven al hun zetels kwijt; Major gaf het partijleiderschap op en werd opgevolgd door William Hague. De belangrijkste bestuurlijke vernieuwing die Labour voorstond, waren de plannen voor beperkt zelfbestuur voor Schotland en Wales. De bevolking van beide landsdelen stemde bij referenda in met de plannen, en in 1999 werden de parlementen geïnstalleerd. Een andere hervorming betrof het Hogerhuis, traditioneel een Conservatief bolwerk. In 1999 werd de erfelijke adel het vaste recht op een zetel ontnomen. Met zijn ambitieuze Strategic Defence Review toonde Blair dat hij Groot-Brittannië een toonaangevende rol in de wereld wilde laten spelen. Ook schaarde hij zich in woord en daad (Britse jachtbommenwerpers) achter de Amerikaanse president Clinton toen deze in december 1997 Irak liet bombarderen als sanctie voor het niet nakomen van beloftes aan de Verenigde Naties. |
De in 1996 begonnen gesprekken tussen alle betrokken partijen, de 'all party talks', raakten in een impasse doordat Sinn Féin pas mee mocht praten als de IRA de wapens zou inleveren, wat deze weigerde. Om de patstelling te doorbreken, stelde premier Blair op 25 juni 1997 'parallelle ontmanteling' voor: tijdens de vredesonderhandelingen zouden de wapens ingeleverd moeten worden. Na lange gesprekken met de Britse regering en de Amerikaanse onderhandelaar George Mitchell was de grootste protestantse partij, de Ulster Unionist Party, bereid op 29 september aan de onderhandelingstafel in Stormont Castle in Belfast te verschijnen. De gesprekken beperkten zich in de volgende maanden tot de tafelschikking en de agenda. In oktober bezocht Blair Noord-Ierand, waar hij achter gesloten deuren met Adams sprak. Het was de eerste ontmoeting van een Britse premier met een republikeinse leider sinds 1921. In december vond in Londen een tweede gesprek tussen beiden plaats. |
De Britse minister voor Noord-Ierland, Mo Mowlam, bezocht op 9 januari 1998 de Maze-gevangenis in een poging loyalistische gevangenen die hun steun voor het vredesproces hadden ingetrokken, over te halen zich alsnog hiermee te verenigen. Hun mening gaf de doorslag bij het al dan niet aanwezig zijn van de Progressive Unionist Party en de Ulster Democratic Party bij de vredesbesprekingen tussen alle partijen in Noord-Ierland. Na haar bezoek en de belofte van Mowlam meer te doen op het punt van vertrouwenwekkende maatregelen, schaarden de gevangenen zich achter de onderhandelingen. Op 10 april, Goede Vrijdag 1998, werd overeenstemming bereikt over een algeheel vredesakkoord. In Noord-Ierland werd het verdrag, bij een op 22 mei gehouden referendum, door 71% van de uitgebrachte stemmen aanvaard. Hiermee kwam de weg vrij voor verkiezingen van de 108 zetels tellende Noord-Ierse assemblee, die op 25 juni gehouden werden. De loyalistische Ulster Unionist Party (UUP) en de katholiek-nationalistische Social Democratic and Labour Party (SDLP) kwamen met respectievelijk 28 en 24 zetels als grootste partijen uit de verkiezingen tevoorschijn. |
![]() |
Blair. |
De leider van de UUP, David Trimble, werd op 1 juli 1998 tot premier gekozen. Op 15 augustus 1998 ontplofte een zware autobom in het Noord-Ierse Omagh, waardoor 28 mensen om het leven kwamen. Een republikeinse splintergroep hoopte met deze terreurdaad het vredesakkoord ongedaan te maken. De aanslag had een averechtse uitwerking: protestantse unionisten en katholieke nationalisten veroordeelden de actie scherp en diverse republikeinse splintergroepen sloten een staakt-het-vuren. Aan John Hume (SDLP) en David Trimble (UUP) werd op 16 oktober de Nobelprijs voor de Vrede toegekend. Trimble zag de prijs als prematuur; de problematiek over de ontwapening van paramilitaire groepen bleef een bron van zorg. |
![]() Aangepast zoeken
|