Prehistorie van het Verenigd Koninkrijk
|
Beelden Engeland |
Hoewel enkele primitieve vuistbijlen uit nog vroegere interglaciale perioden kunnen stammen, geldt toch algemeen het Clactonien uit het Elster/Saale-interglaciaal (Holsteinien of Hoxnien) als het oudste bewijs van menselijke aanwezigheid in Groot-Brittannië. Vroeg- en midden-paleolithische artefacten (vuistbijlen) zijn beperkt tot het zuiden van Engeland, doordat in latere glaciaties alle eventuele noordelijker gelegen bewoningssporen zijn uitgewist. Het laat-paleolithicum is vrijwel beperkt tot het gebied dat in de laatste ijstijd ijsvrij is gebleven. Het is voor de bewoningsgeschiedenis van belang dat in elke ijstijd de zeespiegel aanzienlijk lager lag dan in de warme perioden daartussen. In koude tijden was Groot-Brittannië dus vrij over land toegankelijk. Dit geldt ook nog voor het vroege mesolithicum, toen er van Oost-Engeland via de drooggevallen Noordzee tot ver in het Baltische gebied sprake was van één complex van verwante culturen. De kampplaats te Star Carr in Yorkshire en opgeviste benen werktuigen uit de Noordzee zijn nauw verwant aan de Magelmosecultuur. |
Omstreeks 6000 v.C. werd Engeland definitief van het continent gescheiden toen de laatste landbrug in de zuidelijke Noordzee onderstroomde. De eerste landbouwers bereikten Zuidwest-Engeland dus over zee en wel vanuit Bretagne en Zuidwest-Frankrijk. In enkele eeuwen verbreidden boerennederzettingen zich tot in de uiterste hoeken van de eilanden. Het Britse neolithicum verkreeg een eigen gezicht door de ontwikkeling van eigen aardewerkstijlen. De latere prehistorie wordt gekenmerkt door een afwisseling van zwakkere en sterkere continentale contacten – vroeger ten onrechte als ‘invasies’ geïnterpreteerd – naast lokaal ontwikkelde, eigen tradities. Zo verbreidden de megalieten zich tot op de Schotse eilanden en ontstonden er tal van bizarre insulaire varianten uit het veel wijder verbreide eenvoudige basisplan van deze grafkelders. |
Sedert 2500 v.C. wordt ook op de Britse eilanden de klokbekercultuur aangetroffen. Ook hier ontstonden tal van regionale groeperingen uit een substraat van ‘pan-Europese typen’. Kenmerkende monumenten uit het neolithicum zijn voorts de henges (Stonehenge, Avebury), steencirkels, vuursteenmijnen en steengroeven voor de productie van bijlen. Zgn. causewayed camps (door meervoudig onderbroken grachtsystemen omgeven terreinen) hadden een moeilijk nader te bepalen sociaal-religieuze functie. In de bronstijd ontwikkelde zich een rijke bronsindustrie en -handel met als basis de goud- en kopervoorkomens in Ierland en het tin van Cornwall. |
![]() |
Verenigd Koninkrijk. munthunter.nl |
In Wessex ontstond een kerngebied met een, blijkens de rijke grafvondsten, aristocratisch aandoende, sociale bovenlaag. Het zuidelijk deel van Groot-Brittannië was toen opgenomen in een handelsnetwerk dat tot aan de Middellandse Zee reikte. Het is, na het vroege neolithicum (ca. 3700 v.C.) en de bekertijd (ca. 2300 v.C.), de derde periode waarin directe contacten over zee met het Rijn/Maasdeltagebied zijn aan te tonen. Ook bronsvondsten uit ons land getuigen van deze handelsrelaties: de Nederlands-Belgische Hilversumcultuur in de vroege bronstijd droeg een Brits stempel. Naast verschillen in vormgeving van de materiële cultuur en in begrafenisrituelen is het markantste Britse prehistorische cultuurkenmerk de ontwikkeling van een geheel eigen huistype: de ronde boerenhoeve, in sterk contrast met de lange rechthoekige huizen op het continent. Zij zijn vooral uit de ijzertijd, maar ook al uit de bronstijd bekend. De ijzertijd wordt gedomineerd door de imposante heuvelversterkingen, de hill-forts, de centra van de vele kleine stammen, waarin de samenleving was opgedeeld. In de late ijzertijd werden de forten met steeds meer wallen omringd en voorzien van gecompliceerde toegangen als antwoord op verbeterde aanvalstechnieken. Ca. 100 v.C. trokken de Keltische Belgae Het Kanaal over en vestigden zich in Zuid-Engeland, om anderhalve eeuw later overrompeld te worden door de Romeinen. In de late ijzertijd kwam in Zuid-Engeland een eigen provincie van de Keltische La Tènecultuur tot ontwikkeling, gekenmerkt door kunstig verbonden spiraal- en cirkelmotieven. Een bekend verschijnsel zijn de reusachtige dier- en mensfiguren op steile hellingen in de kalkgebieden van Zuid-Engeland. Zij zijn gemaakt door zode en teelaarde te verwijderen, waardoor het helder witte vaste gesteente zichtbaar werd. Enkele, zoals de reus van Abbas en het paard van Uffington stammen uit de late ijzertijd. De meeste zijn echter van later datum. Encarta |
![]() Aangepast zoeken
|