Prehistorie van Duitsland
|
Beelden Duitsland |
Hoewel enkele van Europa's oudste menselijke skeletresten (de onderkaak van Mauer en de schedel van Steinheim) van Duitse bodem stammen, zijn artefacten uit de periode vóór de Riss/Saale-ijstijd (zie Riss-vergletsjering en Saale-vergletsjering) zeer schaars. Het laat-Acheuléen is beter vertegenwoordigd met als bekendste de vondstgroep van Salzgitter-Lebenstedt en de houten speer in het skelet van een Elephas antiquus uit Lehringen. Uit de tijd van de Neandertalmens (75 000 – 37 000 v.C.) stammen vuursteencomplexen van verschillende cultuurgroepen: Altmühl, Micoquien en Moustérien, zowel uit cultuurlagen in grotten als uit openluchtkampplaatsen. Dit laatste geldt ook voor het laat-paleolithicum, met achtereenvolgens het Aurignacien (met zes kleine dierfiguren van mammoetivoor uit de Vogelherdgrot), het Gravettien en het Magdalénien. Uit het einde van de laatstgenoemde cultuurperiode stammen de unieke kampplaatsen van Gönnersdorf bij Koblenz, onderzocht in de jaren 1968–1974, waar talrijke leisteenplaten met ingekraste figuren van dieren en mensen werden gevonden. Uit dezelfde periode stamt de oudste bewoning van de Noord-Duitse laagvlakte, de rendierjagers van de Hamburgcultuur. |
Het verschil in materiële cultuur tussen Midden- en Zuid-Duitsland enerzijds en het noorden (dat aansluit bij de Scandinavische en Baltische prehistorie) anderzijds is een opvallend contrast in vrijwel de gehele prehistorie. In het midden en zuiden wordt het mesolithische Tardenoisien (8200–5300 v.C.) afgesloten met de introductie van de agrarische levenswijze van de bandkeramische cultuur, het vroegste neolithicum. Deze valt vervolgens uiteen in verschillende culturen. De belangrijkste opeenvolging is: bandkeramiek (5300–4800), Rössen-cultuur (4800–4400), Michelsbergcultuur (4400–3600). Vooral door grootscheepse opgravingen in het bruinkoolwinningsgebied van de Aldenhovener Platte ten oosten van Aken, sedert 1970, is onze kennis van het vroege neolithicum aanzienlijk vergroot. |
In het noorden wordt het mesolithicum gekenmerkt door niet geslepen vuurstenen bijlen (zie vuursteentechniek). Contacten met het zuiden leiden, ca. 4500 v.C., tot het ontstaan van de half-neolithische Ertebøllecultuur, omstreeks 3800 v.C., opgevolgd door de trechterbekercultuur. Sedert 3100 v.C. tot aan het begin van de bronstijd vindt men in geheel Duitsland sporen van de verschillende bekerculturen. Er zijn drie centra van vroege bronsindustrie: één in Baden-Württemberg en Zuid-Beieren (Singen), één in het oosten (Ún?tice-cultuur), beide sedert ca. 2100 v.C. Een derde cultuurgebied sluit in het noorden aan bij de Scandinavische bronstijd, sedert ca. 1500 v.C. De vroege en midden-bronstijd worden gekenmerkt door begraving onder grafheuvels, de mannen met wapenrusting. Enkele zeer rijke ‘vorstengraven’ laten voor het eerst een sociaal gelaagde maatschappij zien. Sedert ca. 1200 v.C. verandert de grafgewoonte en vinden urnenvelden ingang. |
![]() |
Prehistorie van Duitsland. |
De ijzertijd (sedert 750 v.C.) wordt verdeeld in de Hallstatt-cultuur en de La Tènecultuur, beide met beroemde, zeer rijke vorstengraven en vorstenburchten, zoals de Heuneburg. In de La Tène-tijd treedt de eerste aanzet tot het vormen van steden op, de oppida, zoals die te Manching. Buiten het gebied van de Romeinse bezetting zet de ijzertijd zich voort tot aan de tijd van de Volksverhuizing (ca. 375 n.C.). Romeinse import in dit gebied wijst op uitgebreide handelsbetrekkingen. |
![]() Aangepast zoeken
|