Parijs : Stadsbeeld : Twintigste eeuw |
Beelden Frankrijk |
26/08/11
|
Het Théâtre des Champs-Elysées (1910–1913; A. Perret) en de kerk St-Dominique (1913–1921; Gaudibert) behoorden tot de eerste voorbeelden van betonconstructie. Een apart accent wordt gevormd door de grote warenhuizen, die eveneens de moderne bouwmethoden benutten. De Art Nouveau werd o.a. toegepast aan metro-ingangen (Hector Guimard). Le Corbusier bouwde (1931–1932) het Maison Suisse voor de Cité Universitaire en in 1937 verving het Palais de Chaillot (Carlu, Boileau en Azéma) het uit 1878 daterende Trocadéro. Opmerkelijk in het huidige stadsbeeld is het verrijzen sinds eind jaren vijftig van enkele moderne kantoorgebouwen, waar architectuur en beeldende kunst in harmonie samengaan. Een goed voorbeeld hiervan is het hoofdgebouw van de UNESCO (1957–1958; door M. Breuer, Pier Luigi Nervi en B. Zehrfuss), dat werd gedecoreerd met werken van beroemde kunstenaars als Picasso, Appel, Tamayo, Matta, Afro en Brassai. |
zo bevinden zich in de lounge de muurschildering De val van Icarus door Picasso (1958) en in de deels door Isamu Noguchi aangelegde tuinen (1956–1958) o.m. sculpturen van Arp en Calder (mobile). Het meest prestigieuze project in dit opzicht is echter wel de moderne woon- en zakenwijk La Défense, waarvoor reeds in 1958 de eerste plannen werden getekend. Opvallende werken zijn hier het Nationaal Centrum voor Industrie en Technologie (CNIT; 1958) door B. Zehrfuss, de sculptuur Stabile (1978) van A. Calder en de indrukwekkende Grande Arche (1989), een kantorencomplex, tevens de moderne tegenhanger van de Arc de Triomphe, waarmee het op één lijn staat. |
Vermeldenswaard zijn verder de begin jaren zeventig gebouwde Tour Maine-Montparnasse (210 m hoog) bij het nieuwe station Gare Montparnasse (1969), waar zich ook het wooncomplex Les Echelles du Baroque (1979–1985; door R. Bofill) bevindt, en het Centre National d'Art et de Culture Georges Pompidou, kortweg Centre Pompidou (1975–1977; door Renzo Piano en R. Rogers), met in de nabijheid, op de Place Igor-Stravinsky, de mechanisch geanimeerde waterpartij (1983) van J. Tinguely en Niki de Saint-Phalle. De nieuwe toegang tot het Louvre, in de vorm van een glazen piramide (1981–1989), is van de hand van de architect Ieoh Ming Pei. In de villes nouvelles is m.n. het werk van de Catalaanse architect R. Bofill opvallend: te Cergy-Pontoise de wooncomplexen La Pétite Cathédrale (1971) en |
![]() |
Architectuur van Parijs. Beeld E. Buchot |
Les Colonnes de St-Christophe (1981–1986; toren van D. Karavan) en te Marne-la-Vallée Les Espaces d'Abraxas (1978–1983), een in drie delen (de Arc, het Palais en het Théâtre) opgetrokken wooncomplex met moderne recreatievoorzieningen en winkelcentra. © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta. |
Diverse Franse presidenten hebben hun sporen nagelaten in Parijs. François Mitterrand spant vooralsnog met zijn ‘Grote Werken’ de kroon. Behalve het museum, de piramide van het Louvre et La Villette vallen daar ook onder de nieuwe Opéra (Carlos Ott, 1989) en de Bibliothèque Nationale de France met zijn vier torens in de vorm van een opgengeslagen boek (Dominique Perrault, in 1996 gereedgekomen, in 1997 in gebruik genomen en in 1998 opengesteld). Van La Villette verdient de Cité des Sciences et de l’Industrie aparte vermelding (Adrien Fainsilber) en de in het park geplaatste ‘follies’ (Bernard Tschumi). Een publiekstrekker van geheel andere orde is het Institut du Monde Arabe (Jean Nouvel, 1987). © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta. |
Tilpasset søgning
|