Noorwegen in de 20e eeuw : Noorwegen als onafhankelijke staat |
| Foto's van Noorwegen |
25/07/11
|
|
In de eerste jaren van de onafhankelijkheid bleef uiteraard de verhouding tot Zweden koel. Het verdrag van 2 november 1907 met Engeland, Frankrijk, Rusland en het Duitse Rijk, waarbij Noorwegen beloofde niets van zijn grondgebied te zullen afstaan, terwijl de grote mogendheden zich verplichtten diezelfde territoriale integriteit en zelfstandigheid te zullen beschermen, werd in Zweden als een uiting van wantrouwen beschouwd en wekte daar grote wrevel. Na de verkiezingen van 1906 werd de Arbeiderspartij met een fractie van tien leden een factor van betekenis. Centraal punt in de binnenlandse politiek was de exploitatie van de watervallen. Deze zaak werd in 1909 door een liberale regering (met steun van de socialisten) bij wet gebonden aan concessies die na hun looptijd van 60–80 jaar weer aan de staat vervielen. Ook de verkoop van bossen werd geregeld. In 1907 werd het vrouwen(census)kiesrecht ingevoerd. De verkoop van alcoholische dranken werd met steun van vooral socialisten en piëtisten in 1919 volledig verboden. |
De Eerste Wereldoorlog bracht een toenadering tussen de Scandinavische landen. Als neutrale staten hadden zij in veel opzichten dezelfde politieke en economische belangen. Na de driekoningensamenkomst te Malmö, waar besloten werd tot samenwerking voor het geval een van de drie landen aangevallen werd, volgden nog verscheidene conferenties tussen de staatshoofden, de regeringsleiders en de ministers van Buitenlandse Zaken. Economisch was de oorlog voor de reders, de industriëlen en de boeren een zeer voordelige tijd. De consumenten droegen de lasten doordat de eerste levensbehoeften sterk in prijs stegen. De buitengewone volmachten van de regering wekten alom grote ontevredenheid. Min of meer samenhangend met de vredesbesprekingen in Versailles verwierf Noorwegen in 1925 de soevereiniteit over Svalbard (Spitsbergen). |
In 1919 werd het districtenstelsel (zie kiesstelsel) afgezwakt en het algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarmee kwam een einde aan de ondervertegenwoordiging van de Arbeiderspartij. Een omvangrijke staking in 1921 tegen plannen tot loonsverlaging, geleid door de revolutionaire krachten in de arbeidersbeweging die toen de boventoon voerden, leidde tot een nederlaag voor de vakbeweging. De conservatieve krachten in de maatschappij werden versterkt. In deze tijd viel de Arbeiderspartij uiteen. In 1919 werd de partij lid van de Komintern. De groep die de halfsyndicalistische volksbeweging niet wilde ombouwen tot een elitepartij naar leninistisch model, kreeg echter geleidelijk aan weer de overhand, met als gevolg een breuk met de Komintern in 1923. |
![]() |
Het plaatsje Voll aan de Romsdalsfjord in Noorwegen. |
De Moskougezinden stichtten de Noorse Communistische Partij. In 1927 werd de nu gematigde Arbeiderspartij de grootste partij. Na een socialistisch regeringsintermezzo in 1928 (kabinet-Hornsrud) kwam er in 1935 met het kabinet-Nygaardsvold een einde aan de jarenlange afwisseling van liberale en conservatieve kabinetten. De sociaaldemocraten behielden de macht tot 1963. Voornaamste taak van de regering-Nygaardsvold was de economie uit het slop te halen en de werkgelegenheid te herstellen. De eerste aanzetten voor een sociaaldemocratische welvaartsstaat werden gegeven, maar de Tweede Wereldoorlog doorkruiste alle plannen. De in de jaren dertig opkomende fascistische beweging Nasjonal Samling onder leiding van Vidkun Quisling wist niet veel aanhang te verwerven. "Noorwegen," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta. |
Tilpasset søgning
|