Nieuw-Zeeland

Nieuw-Zeeland : Naoorlogse politieke ontwikkelingen

Foto's van Nieuw-Zeeland
23/08/11

In november 1949 kwamen de conservatieven weer aan het bewind (onder S. Holland), maar de politieke en sociale structuur onderging geen belangrijke wijzigingen meer. Op 1 januari 1951 werd het Hogerhuis opgeheven. In 1957 kon Labour weer een regering vormen, onder leiding van Walter Nash. Op 1 januari 1962 verkreeg het mandaatgebied West-Samoa onafhankelijkheid. De regering, die sinds 1960 weer gevormd werd door de conservatieven, steunde in 1964 Maleisië in het conflict met Indonesië. De betrekkingen met de Verenigde Staten werden hecht, mede ten gevolge van de steun van Nieuw-Zeeland aan de Amerikaanse Vietnampolitiek.

Bij de parlementsverkiezingen van november 1972 moest de conservatieve Nationale Partij haar meerderheid afstaan aan de Labour Party, maar verkiezingen van november 1975 brachten de Nationale Partij, nu geleid door Robert Muldoon, weer een overwinning.

Tot 1984 bleven zij aan het bewind. Muldoon verloor echter de verkiezingen van 1984 na een conflict over de vraag of werknemers wel of niet vrij waren zich bij een vakbond van hun keuze aan te sluiten. De nieuwe premier, David Lange van de Labour Party, kondigde direct na zijn aantreden een aanlegverbod voor door kernenergie aangedreven oorlogsschepen in Nieuw-Zeelandse havens aan. Dit leidde tot grote spanningen met de Verenigde Staten en Australië. De relatie met Frankrijk verslechterde nadat in 1985 twee Franse agenten van de geheime dienst in de haven van Auckland de Rainbow Warrior opbliezen.

Het schip van Greenpeace voerde actie tegen de Franse nucleaire proeven in de Stille Zuidzee. Lange werd in 1987 herkozen en begon met de privatisering van de vele staatsondernemingen. Zijn populariteit daalde echter snel, ook binnen de Labour Party. In 1988 trad hij af en werd opgevolgd door Geoffrey Palmer. Hij voerde een economische laissez faire-politiek en moest bij gebrek aan resultaat eveneens voortijdig het veld ruimen (hij werd eind 1990 vervangen door Mike Moore). Verkiezingen in 1990 leverden na zes jaar Labourbewind weer een grote overwinning op voor de National Party, wier nieuwe leider, Jim Bolger, premier werd. In 1991 werd een begin gemaakt met grootscheepse bezuinigingen in de sociale zekerheid.

In 1992 werd een akkoord gesloten tussen de regering en de Maori's over de regeling van de visrechten, zoals vastgelegd in het Verdrag van Waitangi. De Maori's (10% van de bevolking) kregen krachtens het akkoord 50% van de binnenlandse visvangst. Bij de verkiezingen van november 1993 verwierf de National Party 50 van de 99 zetels. Bolger bleef aan, maar was gedwongen consessies te doen aan zijn harde lijn van economische hervormingen. Bij het gelijktijdig gehouden referendum over het toekomstige kiesstelsel sprak een meerderheid zich uit voor evenredige vertegenwoordiging, waarmee het bestaande districtenstelsel werd verlaten.

nieuwe premier, David Lange
nieuwe premier, David Lange.
In 1995 groeide de economie fors in een sterk geliberaliseerd klimaat. Premier Bolger van de National Party vormde eind februari 1996 een coalitie met de United Party, waardoor de regering op een meerderheid van één zetel kon rekenen in het parlement. De parlementsverkiezingen van oktober 1996 betekenden een flink verlies voor de National Party. In december vormde Bolger evenwel zijn derde kabinet, een coalitie met de New Zealand First Party (NZFP). In 1997 werd hij echter door zijn eigen partij gedwongen terug te treden ten gunste van de nieuwe NP-leider Jenny Shipley. In hetzelfde jaar tekenden de regering en de Maoristam Ngai Tahu op het Zuideiland een akkoord waarbij grond werd teruggegeven, gebruiksrechten werden vastgelegd en schadevergoeding werd betaald. Hiermee werd tegemoetgekomen aan Maorigrieven over het afgedwongen Waitangiverdrag van 1840. Bij de parlementsverkiezingen in november 1999 leken Labour en haar bondgenoot de Alliance aanvankelijk gezamenlijk een meerderheid te hebben behaald van 63 van de 120 zetels, waarna Labourleider Helen Clark begon met de vorming van een nieuwe regering. Nadat de stemmen in één district opnieuw geteld waren, bleek echter dat de Groenen toch de kiesdrempel hadden gehaald, en 7 zetels hadden gekregen. Dat betekende dat het kabinet-Clark, dat op 10 december aantrad, voor een meerderheid in het parlement afhankelijk was van de steun van de Groenen of de rechtse New Zealand First partij van Winston Peters, die zes zetels behaalde. Clark benoemde Jim Anderton tot vicepremier en minister van Economische Ontwikkeling en Industrie. Anderton was fel tegen het door eerdere regeringen, onder Labour en de National Party, gevoerde liberaliseringsbeleid. "Nieuw-Zeeland" © Schriftelijke door en Encarta
Tilpasset søgning