Japanse geschiedenis : De Kamakura-periode (1192–1333)
|
Foto's van Japan |
In het voorjaar van 1192 liet de overwinnaar van de Taira, Yoritomo Minamoto, zich door de keizer de eretitel Sei-i-tai-shogun (afgekort tot: shogun of sjogoen), ‘groot opperbevelhebber ter onderwerping der barbaren’, verlenen. De titel werd voor het leven verleend en werd erfelijk voor de militaire heersers van Japan. Van 1192 tot 1867 zijn er – met enkele korte onderbrekingen – sjogoens geweest die de feitelijke macht uitoefenden, terwijl de keizers slechts in naam de hoofden van de staat waren. De keizer bleef in Kyoto wonen, maar Yoritomo maakte Kamakura, niet ver van het huidige Tokio, tot hoofdstad van het sjogoenaat. Hoewel verantwoordelijk aan de keizer, oefende hij op feodale wijze een eigen bewind over het rijk uit. |
Reeds in 1205 namen leden van de machtige Hojo-familie als regenten de teugels in handen en in 1219 stierf de laatste sjogoen van de Minamoto-familie. Sindsdien werden keizerlijke prinsen en leden van de Fujiwara-familie tot sjogoen benoemd; de Hojo evenwel bleven het regentschap uitoefenen. Een van hen, Tokimune Hojo (shikken [= regent] van 1257 tot 1284), wist de Mongoleninvallen onder Koebilai Chan (1274 en 1281) af te slaan. De Mongoolse nederlagen waren vooral te danken aan de tyfoons (kamikaze), die beide malen de Mongoolse vloot vernietigden. De strijd had de schatkist van het sjogoenaat uitgeput, terwijl de feodale heren in de randgebieden tot grotere onafhankelijkheid konden geraken. In 1319 besteeg een keizer, genaamd Daigo II (Go-Daigo Tenno), de troon. |
Hij trachtte zich van de voogdij van de Hojo te bevrijden en ondervond daarbij aanvankelijk veel tegenslag; in 1333 evenwel liep een van de generaals van de Hojo, Takauji Ashikaga, naar hem over, waardoor de strijd ten gunste van de keizer keerde en een eind werd gemaakt aan het Kamakura-sjogoenaat. © Emmanuel Buchot en Encarta. |
![]() |
Kamakura-periode. © Beeld Emmanuel Buchot. |
Tilpasset søgning
|