Griekenland in de 20e eeuw : De jaren vijftig en zestig
|
Beelden Griekenland |
Na verschillende regeringswisselingen won, mede dankzij een nieuwe kieswet, Papagos (nu veldmaarschalk) met een nieuwe partij, de ‘Griekse Concentratie’, de verkiezingen van 1952. Hij en zijn minister van Coördinatie, Markezinis (tot april 1954), voerden een politiek van stabilisatie. Papagos wist de betrekkingen van Griekenland, dat tot de NAVO was toegetreden (1952), met zijn buurlanden te verbeteren. In 1954 sloten Griekenland, Turkije en Joegoslavië een bondgenootschap, dat door de ontwikkelingen op en rond Cyprus en de Joegoslavisch-Russische verzoening van 1955 overigens nauwelijks betekenis kreeg. De Cypriotische beweging voor enosis (aansluiting bij Griekenland) leidde in Griekenland zelf reeds in 1954 tot relletjes (Athene, Saloníki) en Papagos legde de kwestie-Cyprus aan de Verenigde Naties voor. In 1955 begon, onder leiding van Grivas, het georganiseerde geweld op het eiland (zie Cyprus § geschiedenis), dat ook de betrekkingen tussen Turkije en Griekenland vergiftigde (geweldplegingen te Istanbul en Smyrna). |
Papagos stierf in oktober 1955; zijn opvolger werd Karamanlis, die Papagos’ Griekse Concentratie verving door een nieuwe partij, de Nationale Radicale Unie (ERE). Karamanlis streefde in het Cyprus-conflict naar verzoening en bleef trouw aan de NAVO. In 1960 werd de Republiek Cyprus gesticht. Meer dan de onbevredigende economische toestand waren het politieke omstandigheden die in 1963 aan het achtjarige bewind van Karamanlis een einde maakten. Moeilijkheden ten gevolge van de inmenging van de kroon (koning Paul en koningin Frederika) in de politiek, de groei van de door Georgios Papandreou geleide Unie van het Centrum en de kwestie van de communistische gevangenen uit de jaren van de burgeroorlog verzwakten het gezag van de regering. Toen de koning een regeringsadvies om een staatsiebezoek aan Engeland uit te stellen in de wind sloeg, trad Karamanlis af (juni 1963). |
Algemene verkiezingen leverden zijn partij 128 zetels op, de Unie van het Centrum 140, de daarmee verbonden Progressieven (Markezinis) twee en de onder communistische leiding staande EDA 30. Papandreou vormde een minderheidsregering, doch trad af toen hij een stemming slechts bij de gratie van de communisten overleefde. Nieuwe verkiezingen leverden Papandreous Unie 174 zetels op. De dood van Paul I (1964) scheen de weg te banen voor een redelijke verhouding tussen kabinet en monarchie. Koning Constantijn II geraakte evenwel met Papandreou in conflict nadat in mei 1965 een geheime organisatie van links georiënteerde legerofficieren, ‘Aspida’ (= Schild), was ontdekt, waaraan Papandreous zoon Andreas (die zelf in de regering zat) steun zou hebben gegeven. Georgios Papandreou wilde op zijn beurt het leger zuiveren van ‘anti-democratische en fascistische elementen’. De koning verzette zich en weigerde ontslag te verlenen aan een tegenstander van Papandreou in het kabinet, de minister van Defensie. In juli trad de regering af. Heftige demonstraties ten gunste van Papandreou vonden in Athene en andere steden plaats. De oude staatsman wilde het op een krachtproef laten aankomen in de vorm van verkiezingen. Met moeite slaagde de koning erin in het parlement meerderheden te vinden voor kabinetten waaraan overlopers van de Unie steun verleenden. |
![]() |
Koning Constantijn II |
De crisis van het parlementair-constitutionele regime werd hierdoor niet overwonnen en op 21 april 1967 maakte een groep officieren zich van de macht meester. Emmanuel en Encarta. Meer infos op Wikipedia. |
Tilpasset søgning
|