Geschiedenis van Ierland : De Unie met Groot-Brittannië
|
Beelden van Ierland |
De Ierse katholieken werden spoedig in hun verwachtingen beschaamd, toen de regeringsleider Pitt zijn beloften niet kon verwezenlijken. Daarenboven verslechterde de economische situatie gevoelig als gevolg van de unie (verval van Dublin als centrum, willekeur in heffing van renten, enz.). Een van de leiders van de katholieke middenklasse, Daniel O'Connell, bevocht de goedkeuring van de Emancipation act (1829), waarbij katholieken in het parlement werden toegelaten en voor hen het grootste deel van de openbare functies werd opengesteld. Na de dood van O'Connell (1847) en de rampzalige hongersnood in de jaren 1847–1848 emigreerden tienduizenden Ieren (vnl. naar de Verenigde Staten) en onder de emigranten kwam een revolutionaire beweging (fenianisme; zie Fenians) tot bloei die zich ten doel stelde Ierland politiek te bevrijden. |
Vanaf 1869 werd door de Britse premier Gladstone een reeks liberaliserende maatregelen getroffen (o.a. de Irish land act). In 1870 werd de Home Rule-partij gesticht, die ijverde voor zelfbestuur binnen het Britse Rijk; een van de kopstukken ervan was Charles Stuart Parnell. De eerste Home Rule bill werd afgewimpeld in 1886, een tweede werd door het Hogerhuis verworpen in 1893. Dit leidde tot verbittering onder de Ieren, van wie een deel voortaan Iers-nationalist genoemd kon worden. Dit groepeerde zich in de Sinn Féin-partij, in 1899 gesticht door Arthur Griffith. Door enkele hervormingen wilde de Britse regering het tij keren, o.a. door de Land Purchase act, die faciliteiten verleende voor de boeren die eigenaar van de door hen bewerkte grond wilden worden (1903), of door de stichting van de Nationale Universiteit (1908). |
Ondertussen werkte men aan een derde Home Rule bill, in 1912 ingevoerd, maar niet toegepast. Ondanks ruime Home Rule-aanhang rees hiertegen verzet in Ulster, waar de meerderheid van de bevolking uit anglicanen en presbyterianen bestond. Beide kampen bewapenden zich. Besprekingen op Buckingham Palace in juli 1914 tussen de twee rivaliserende partijen hadden geen resultaat. Kort daarop brak de Eerste Wereldoorlog uit en de voorzitter van de gematigde Ierse partij meende in naam van al zijn landgenoten steun aan Groot-Brittannië te mogen beloven. Talloze Ieren werden als vrijwilligers ingelijfd bij het leger, maar de Britse minister van Oorlog, Lord Kitchener, haalde zich spoedig hun vijandschap op de hals. In 1916 brak te Dublin de Paasopstand uit, die slechts na bombardementen beteugeld kon worden. De Britse premier Lloyd George werd belast met een verzoeningsopdracht, doch struikelde over Ulster. Als gevolg daarvan behaalde de Sinn Féin bij alle verkiezingen in die jaren de meerderheid. Zij ijverde voor zelfbeschikking op grond van de principes van de Amerikaanse president Wilson. De Ierse vrijwilligers, gegroepeerd in de Irish Republican Army (IRA), begonnen een guerrillaoorlog, waarop de Britten uiterst scherp repliceerden. Lloyd George ontwierp een nieuwe Government of Ireland Act. In afwachting van meer zelfbestuur zouden twee parlementen zetelen (een voor het zuiden, een voor Noord-Ierland), overkoepeld door een centrale raad. Het zuidelijke kwam nooit bijeen, het andere werd geopend op 22 juni 1921. De Britse regeringsleider ging toen |
![]() |
Arthur Griffith. |
onderhandelen met afgevaardigden van Sinn Féin, met als resultaat de oprichting van de Ierse Vrijstaat (6 dec. 1921). © Emmanuel Buchot en Encarta. |
Tilpasset søgning
|