Hongarije

Hongarije : Het Habsburgse bewind tot 1867

Foto's van Hongarije
5/08/11

De bijna 200-jarige oorlog met de Turken, gedurende welke Hongarije de naam ‘schild van de gehele christenheid’ verwierf, had fatale gevolgen voor het land. De bevolking liep terug van 4 miljoen aan het eind van de 15de eeuw, van wie 80% Hongaar was, tot 2 miljoen aan het eind van de 17de eeuw. De bevolkingspolitiek van het hof van Wenen had ten doel het Hongaarse karakter aan het land te ontnemen. Naast talrijke Duitse kolonisten werden 200 000 Serviërs, die zich aan de Turkse overheersing trachtten te onttrekken, in het ontvolkte Zuid-Hongarije gevestigd, terwijl het Roemeense element, ten gevolge van een massale emigratie uit de Turkse vazallenvorstendommen Walachije en Moldavië, de meerderheid verkreeg in Zevenburgen. Op de Rijksdag van 1687 werd door de geïntimideerde stenden het erfelijk koningschap van de Habsburgers erkend. De reactie op de ondraaglijke militaire onderdrukking was een acht jaar durende vrijheidsoorlog (1703–1711) onder leiding van vorst Frans II Rákóczy. Het grootste deel van de bevolking, edelen, burgers en boeren, naast de Hongaren ook Slowaken en Oekraïners, schaarde zich onder zijn vaandels. Rákóczi verbond zich met Lodewijk XIV en zijn leger bevrijdde geheel Hongarije van het Habsburgse juk.

Het Huis Habsburg werd in 1707 van de troon vervallen verklaard. De Fransen werden echter in de Spaanse Successieoorlog verslagen en de vrijheidsstrijd eindigde met een compromis. Bij de Vrede van Szatmár (thans: Satu Mare) werden de Hongaarse constitutie gegarandeerd en algemene amnestie verleend (1711). Rákóczy zelf verkoos de ballingschap.

Koning Karel III (als keizer Karel VI) regeerde van 1711 tot 1740 als constitutionele monarch. Omdat hij geen mannelijke opvolger had en hij zijn dochter Maria Theresia op de troon wilde hebben, liet hij de Rijksdag van 1722/1723 de Pragmatieke Sanctie aanvaarden. Maria Theresia (1740–1780) behield haar kroon in de Oostenrijkse Successieoorlog met Hongaarse hulp. Zij deed veel voor de culturele ontwikkeling van het land. Omdat de adel weigerde van zijn voorrecht van belastingvrijheid afstand te doen, concentreerde het hof van Wenen de industrie in Oostenrijk en Bohemen, terwijl Hongarije de rol werd toebedeeld van leverancier van grondstoffen en landbouwproducten. Jozef II (1780–1790) was de voornaamste representant onder de Habsburgers van het verlicht despotisme. Zijn hervormingen beoogden echter de versmelting van Hongarije met de rest van de Habsburgse monarchie.

Het verzet daartegen steeg tot een hoogtepunt, toen Jozef het Duits als officiële taal wilde invoeren. Zijn opvolger, Leopold II (1790–1792), bekrachtigde bij de wetten van 1790 opnieuw de zelfstandigheid en de constitutie van Hongarije. De Franse Revolutie vond slechts bij een kleine groep intellectuelen weerklank, onder wie Ignác Martinovics en andere Hongaarse Jakobijnen, die daarvoor met hun hoofd moesten boeten (1795).

De successen van de Franse revolutionaire legers brachten het Weense hof en de Hongaarse stenden nader tot elkaar, maar een verwijdering tussen deze bondgenoten trad in toen Wenen een belangrijk deel van de staatsschulden op Hongarije wilde afschuiven. Ten gevolge van de daling van de graanprijzen na de Napoleontische oorlogen (zie coalitieoorlogen) groeide het verlangen naar een eigen, nationale economie, hetgeen een stimulans betekende voor het groeiende nationale zelfbewustzijn. De gedachte dat de feodale Hongaarse maatschappij diende te streven naar verburgerlijking, won terrein.

De groeiende onrust in het land noodzaakte Frans I (1792 –1835) in 1825 de Rijksdag bijeen te roepen, voor het eerst sedert 1812. Deze werd in de komende jaren een forum waar de conservatieven en de liberalen elkaar bestreden. Het reactionaire hof van Wenen was de hervormingen ongunstig gezind. Het hof ondersteunde de conservatieven en wakkerde tevens de anti-Hongaarse gevoelens van de nationale minderheden aan. Vooral de kwestie van de vervanging van het Latijn als officiële taal door het Hongaars leverde stof voor een conflict op. Als leider van de liberalen kwam Lajos Kossuth op. Hij stelde namens de oppositie de eisen op voor de laatste stenden-Rijksdag (1847–1848), die door het hof onder invloed van de revoluties te Wenen en te Boedapest in maart 1848 geaccepteerd werden.

Frans I
Frans I.

Bij de wetten van april 1848 werd de verbinding van Hongarije met Oostenrijk tot een zuivere personele unie beperkt (zie ook Donaumonarchie). De voorrechten van de adel werden afgeschaft, de lijfeigenschap werd opgeheven, de parlementaire democratie ingevoerd en de democratische rechten verzekerd. De liberale graaf Lodewijk Batthyány vormde de eerste parlementaire regering, waarvan o.a. Kossuth en Széchenyi deel uitmaakten.

Na de overwinning van het Oostenrijkse leger onder Radetzky von Radetz in de zomer van 1848 op de Italianen trachtte het hof van Wenen de democratische ontwikkeling in Hongarije ongedaan te maken. Hierbij speelde het in op de nationale gevoelens van de minderheden. Nadat de Oostenrijkers nog in 1848 tegen Boedapest waren opgerukt, werden zij in het voorjaar van 1849 uit Hongarije verdreven. Het Habsburgse Huis werd door het parlement op 14 april 1849 van de troon vervallen verklaard en Kossuth werd tot gouverneur-president gekozen. Het hof van Wenen vroeg toen om Russische militaire hulp. Tsaar Nicolaas I was bereid de gevraagde hulp te verlenen, omdat hij vreesde dat de definitieve zege van de Hongaarse zaak een revolutie van de onderdrukte Polen tot gevolg kon hebben. De legers van de twee grote mogendheden verpletterden de Hongaren. Op 13 augustus 1849 legde generaal Görgey voor de Kozakken van de tsaar de wapens neer. Er brak nu een periode van terreur over Hongarije aan. De Hongaren verzetten zich passief tegen de vreemde onderdrukking. Te Wenen werd het op den duur duidelijk, dat de medewerking van de Hongaren bij het besturen van de monarchie onmisbaar was. Het feit dat Oostenrijk uit Duitsland en Italië werd verdrongen, maakte ook een vergelijk noodzakelijk. Op grond van de voorstellen van Frans Deák (minister van Justitie in 1848) kwam de Ausgleich van 1867 tot stand. "Hongarije," © Schriftelijke door en Encarta

Koning Karel III
Koning Karel III.
Tilpasset søgning